Columns

De columns in onze nieuwsbrieven worden verzorgd door:

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


Nieuwsbrief 39, januari 2017
Door Dorine Esser

In de krantenwinkel

Na drie weken in het buitenland (voor alle duidelijkheid dit komt eens in de 30 jaar voor), ging ik langs bij de krantenman om te checken of mijn half vergeten lottobiljet eindelijk miljoenen had opgeleverd.
Ari is zo’n 17 jaar geleden uit Griekenland naar België gekomen om hier dankzij de liefde, die hem inmiddels weer verlaten heeft, voorgoed te blijven plakken. Tegenwoordig staat hij achter de toog van een sigarettenwinkel, annex postpunt en krantenzaak. Hij verft zijn haar heel donker in een wanhopige poging dit keer een meegaand jong ding aan de haak te slaan, en beschikt over een rijke woordenschat die hij evenwel met zo’n zware tongval uitspreekt, dat het lijkt alsof ik bij wonder Grieks versta.

Ik begroet Ari altijd met het enige Grieks dat ik ken ‘kalimera’ of ‘kalispera’ afhankelijk van het tijdstip waarop ik de winkel binnenstap. Meestal hebben we het vluchtig over politiek: Europa, vluchtelingen, en natuurlijk Angela Merkel en zijn geliefde Griekenland. Ik doe er wat losjes over, terwijl Ari het liever allemaal serieus zou willen nemen. Toch verleid ik hem keer op keer tot een glimlach en soms zelfs tot een brede grijns. Zijn stokpaardjes zijn de Illuminati en de Vrijmetselarij. Ik feliciteer hem na het blije weerzien schertsend met de overwinning van Trump. En, hoewel ik het had kunnen weten, schrik ik toch van zijn reactie: ‘Dank u! Dank u!’

Hij steekt gelijk van wal; Trump zou weleens de oplossing kunnen zijn. Het begin van een antwoord op de vernietiging van de wereld, de economie, Griekenland… door het meedogenloze grootkapitaal, de vrijmetselaars! De Illuminati! Hij komt vlot op kruissnelheid en vergeet alle klanten behalve mij.
Eerst ben ik zo geschokt dat ik hem maar laat begaan. Ik zit nu eenmaal niet op het spoor van zijn complottheorie. Maar het valt me op dat hij vriendelijk blijft, vrolijk zelfs en dat hij geen enkel poging onderneemt mij van zijn gelijk te overtuigen.
Ik luister naar hem alsof het om achtergrondmuziek gaat. Ook al denkt Ari mogelijk dat hij De Politica van Plato voordraagt, mij treft niet zozeer de inhoud maar de toon. In zijn toon klinkt oprechte opluchting door en dat werkt op de een of andere manier aanstekelijk. Heel de winkel staat te stralen. Ondertussen heeft Ari zichzelf ervan weten te verzekeren dat Trump de ideale oplossing is voor alles. Dankzij de nieuwe president van de Verenigde Staten worden er korte metten gemaakt met IS, de Illuminati en de kwalijke, manipulatieve praktijken van de Vrijmetselarij. Dankzij deze atypische president breekt er eindelijk een gouden dageraad aan.

Ik voel de schok langzaam opgaan in iets groters, iets van totaal andere aard. De schrik komt tot rust in een meer van kalmte en zelfs vriendelijkheid? Ari’s blijdschap heeft me onverwachts bij mijn positieven gebracht. Mijn perspectief op het hele gebeuren verschuift van voors en tegens, waar en onwaar naar gelijkheid, naar inclusie, naar hij-is-niet-anders-dan-ik-gevoelens. Uiteindelijk willen we allemaal hetzelfde. Iedereen wil dat het goed komt en lang en gelukkig leven. Enkel de weg ernaartoe blijkt nogal eens te verschillen.
“Goh, Ari, je bent er oprecht blij mee he?” “Ja!” “Wel, ik hoop van harte dat je gelijk krijgt maar ik heb mijn twijfels.”

Terwijl de rinkelende winkeldeur achter me dichtvalt denk ik: “Als daar nou eens de sleutel ligt? Onder het matje van de voordeur naar de sigarettenwinkel? De sleutel naar de magische wereld van verbondenheid, inlevingsvermogen, samenwerking… de ingang naar een nieuwe wereld van liefdevolle vriendelijkheid?” Evolutie of ‘survival of the fittest’ betekent immers, overleving van degenen die zich het slimst aanpassen aan de veranderende omstandigheden en daarbij kiezen voor samenwerking. Vriendelijkheid is veel duurzamer dan alle haat en geweld bij elkaar. En ik verkies om daar voorlopig in te geloven.

Wanneer ik na een paar dagen weer de winkel instap begroet ik Ari niet met het gebruikelijke ‘kalimera’ maar met “Goodmorning mister Trump!” Hij kijkt me wat scheef aan met vraagtekens in zijn ogen: “Hope you’re doing fine today?” Terwijl er een zachte glimlach doorbreekt onder de zwarte haardos besluit hij het spel mee te spelen: “Yes, fine, I’m doing just good!”
En zo is het ijs op deze koude ochtend toch weer gebroken.


Nieuwsbrief 31, mei 2016
Door Harriet Marseille

Twaalf uur

Rng! Rng! Rng! Elke dag weer komt het alarm als een verrassing. Op de een of andere manier went het nooit. En misschien is dat ook precies de bedoeling, om elke keer weer uit mijn werkzaamheden losgeschud te worden, waar ik ook mee bezig ben, en stil te worden. Mediteren voor de wereldvrede, samen met Zen Peacemakers over de hele wereld, die dagelijks om twaalf uur plaatselijke tijd een minuut stilte in acht nemen.

Tijdens de retraite in Auschwitz had ik er nog zo aan gedacht mijn telefoon op stil te zetten. Maar dat het alarm ook nog moest worden uitgezet, tijdens een van onze meditaties op het treinplatform, vergat ik. Opeens was het twaalf uur: Rng! Rng! Rng! Onhandig zoekend naar mijn mobiel in de rugzak achter me, drukte ik (zonder m’n leesbril zie ik niet zoveel) op ‘snoozen’ in plaats van op ‘uitzetten’. Het kreeg iets hilarisch toen de telefoon in dit gezelschap van meer dan honderd Zen Peacemakers even later weer afging.

Afgelopen zaterdag was ik op bezoek bij een vriend toen het alarm onverwachts afging. “O ja, dat is om me eraan te herinneren dat ik om twaalf uur altijd een minuutje stil ben. Doe je mee?” Hij had geen idee waarom we stil waren, maar als ik het eerst had uitgelegd, was het moment alweer voorbij geweest. Het was mooi om daar zo samen stil te zitten. De aandacht bij mijn ademhaling. En toen bij de vluchtelingen over de hele wereld. Het geweld waarvoor ze op de vlucht zijn. Het geweld in mij, en ook de ruimte waarin alles er mag zijn. De bloesem in de bomen, de vogels in de lucht. Een eindeloos uitgestrekte minuut.

Soms ben ik om twaalf uur in een zakelijk gesprek gewikkeld. Als het alarm dan afgaat, zet ik het zonder toelichting uit, en doe ik een poging innerlijk stil te worden, terwijl mijn stem doorpraat, of terwijl ik aandachtig naar de ander luister. Misschien is dat ook wel mediteren voor de wereldvrede.
En als ik toevallig bij de Ekoplaza ben, vertraag ik om twaalf uur. Geen spullen meer in de winkelwagen stoppen, maar in een soort loopmeditatie door de winkel gaan, tot de minuut weer voorbij is. Ondertussen probeer ik ook mijn ongemak te omarmen, dat zich afvraagt wat de anderen wel niet van me zullen denken.

De week die ik onlangs noodgedwongen zonder mobiele telefoon zat, miste ik het dagelijkse alarm, dat inmiddels een trouwe bondgenoot was geworden. Nu, met een nieuwe telefoon, klinkt er een ander geluid. Ook dat schudt me weer wakker.


Nieuwsbrief 30, april 2016
Door Manu Grisar

Geluk zit binnenin

Als zenpeacemaker blijf ik dagelijks de drie tenets voor ogen houden en zie ik hoeveel ik nog moet oefenen.
In een lange intense retraite in een Tibetaans klooster (mijn traditie) kan ik dat beter “voelen”.
Loslaten, duurzaam geluk ervaren en wetende dat het besmettelijk en aanstekend is en dit vertalen en integreren in mijn dagelijkse leven.
“retirer pour mieux sauter”
Je terugtrekken om dan verder te kunnen springen, delen, duiken, vallen, opstaan en weer doorgaan…
Mijn vlammetje van geluk kan de hele wereld ontsteken!

Geluk zit binnenin

Geluk zit binnenin, in de verpakking.
Zonder die vervelend los te peuteren plakband en zonder inpakpapier. Maar het is zelfs niet die verpakking,
Moest geluk zitten in een pakje, dan is mijn stelling dat geluk zit in de verpakking die de verpakking vasthoudt.
In het geheel dat verbonden is met beenderen, spieren, organen, zenuwen en ruimte voor dat alles. Dàt pakje.
Geluk bevat wel straling, een flinke dosis zelfs. Je kan het zien aan een mens.
Maar velen denken dat het precies in de uiterlijkheden en activiteiten zit van die persoon en willen dat kost wat kost door imitatie verkrijgen…
Mensen willen de cursussen volgen die deze gelukkige mens volgt, dezelfde kleren hebben of zelfs met geweld inbreken in de persoonlijke levenssfeer en vriendenkring.
En dat met maar een doel voor ogen: gelukkig zijn zoals zij denken dat de ander het is.

In welke winkel zou je geluk kunnen kopen? Is het dan per gram te verkrijgen, of per liter misschien of per lopende centimeter?

Geluk zit binnenin, denk ik. Vreemd dat men naast ‘binnen’ nog eens het stukje ‘in’ dient te voegen om duidelijk te zijn over het feit dat het niet buiten jezelf te vinden is. Waar precies is dan dat geluk te vinden?
Op onderzoek dus!
Toch nog even de uiterlijke wereld onderzoeken: Italiaans eten is verrukkelijk. Het maakt mij even gelukkig. Misschien wel een heerlijke spaghetti? Dat is wel een verwarrende kluwen in die heerlijke saus. Misschien in het kunnen ontwarren en ontknopen van de slierten.
Ik ben geen ‘snij-mens’. Spaghetti is met een lepel en een vork te eten.
De zachte aanpak. Maar soms is mijn bord al leeg alvorens ik écht geproefd heb.
De interne diëtiste knikt al “neen” bij het uitkijken naar een tweede portie die ik dan wél bewust zou eten, neem ik mij voor. Maar op is op en weg geluk (zeker als ik op de weegschaal durf te staan).
Zou je met een zachte aanpak van jezelf gelukkiger zijn? Of met een snijdende zelfkritiek?
Niets wat buiten is kan duurzaam geluk binnenbrengen denk ik.

De binnenkant? Geluk?
Ik ervaar het wél in de langere periodes van ‘het even stil maken’. Niet weten, niet zoeken naar, niet projecteren, niet fantaseren. gewoon naar binnen kijken, er 100% zijn, in liefdevolle vriendelijkheid. En de ander zien als een mens die ook duurzaam geluk wil.
Dán borrelt geluk wel op van héél diep binnenin, en als ik er niet naar grijp, het laat zijn,
dan wordt er een diepe innerlijke glimlach getoverd op de binnenkant van mijn ogen.
Misschien pink ik een traan weg (ook dat is loslaten) .
Het is zo boeiend om de ander te bekijken in het licht van zijn/haar kwaliteiten.
Ook die ander die ik ’s morgens in de spiegel zie.
Dàt geluk, dat is gezonde straling én kan wel eens besmettelijk zijn.
En van die langere periodes doorgroeien naar elk kort moment.
Dan ben ik pas ‘content’

Wiskundig gezien kan je geluk alleen maar vermenigvuldigen door het te delen.


Nieuwsbrief 29, maart 2016
Door Diana Vernooij

Toevluchtname en niet-weten

Afgelopen maand werd ik geïnterviewd voor een illustratief verhaaltje bij het nieuwste KASKI onderzoek naar God in Nederland, een onderzoek dat al 5 keer gehouden is, zo ongeveer iedere 10 jaar. Het KASKI onderzoekt wat de verschuivingen zijn in het christelijke geloof. Blijkbaar ben ik inmiddels een voorbeeld geworden van een nieuwe stroming: Meervoudige Religieuze Binding, het je bekennen tot meerdere religies. Ik ben immers boeddhist en ook christen. Ik ga al 24 jaar voor in een oecumenische basisgemeente. Ik vertelde de journalist van het KASKI dat ik iedere morgen bij wijze van ochtendgebed een klein ritueel houd. Ik doe yogaoefeningen, zit op mijn knietjes, doe mijn buigingen, neem toevlucht 1)1, zeg mijn bodhisattva-geloften 2)2, herinner mij aan de 4 perfecties 3)3 en mediteer.

Nu vroeg die journalist mij of het nemen van toevlucht tot de Boeddha, de Dhamma en de Sangha ook vervangen zouden kunnen worden door: Ik neem toevlucht tot Christus, het Evangelie en de Kerk. Dat was een interessante vraag, daar moest ik even over denken. Wat verwoorden wij nu eigenlijk als we proberen iets in woorden en begrippen te vangen? “Niet weten” is onze eerste intentie als zenpeacemakers – dat maakt het nog lastiger. Wat bedoelen we daarmee? Bedoelen we dat we de werkelijkheid achter onze woorden niet kunnen kennen? Nee, dat denk ik niet. We bedoelen toch dat het onze woorden zijn, die altijd ontoereikend blijven om de werkelijkheid aan te duiden. We dienen deemoedig te blijven en niet denken dat we kunnen definiëren wat dé waarheid is.
Maar wat we proberen is een wérkelijkheid te vangen en te delen met anderen door er woorden aan te geven. Het is natuurlijk de vraag of we hetzelfde begrijpen als jij en ik bij onze toevluchtname dezelfde woorden uitspreken. Maar het is wel onze bedoeling en daarom is er ook zoveel toelichting en instructie rondom heen – opdat we niet onszelf maar iets op de mouw spelden of aanmatigen wat er niet is.
Enfin, voor mij zijn de woorden van mijn ochtendritueel inmiddels doorleefde woorden. Het is geen geloofsbelijdenis meer waarmee ik bewijs dat ik bij de club hoor. Ze verwijzen naar een belevingswereld – ik neem toevlucht tot het basisvertrouwen in het leven, tot inzicht en wijsheid, tot het feit dat er überhaupt “weten” is, en tot alle waardevolle contact die de buitenwereld ons geeft. Als ik deze toevlucht neem, gebeurt er altijd iets in mijn lichaam – een basiskracht en vertrouwen stroomt in mij. Het is een prachtige start van de dag.

Daarom dacht ik nog eens na over de vraag van de journalist. Verwijzen Christus en Boeddha niet naar eenzelfde natuur in ons, de goddelijke geest en wijsheid die in onze ziel is geïncarneerd? Ja, dat beaam ik onmiddellijk. En Sangha en Kerk lijken ook erg op elkaar, Sangha is de boeddhistische equivalent van de gemeenschap van heiligen, de kerk. Maar Dhamma en Evangelie? De boeddhistische leer is een vrij systematische uiteenzetting van hoe de geest werkt terwijl het evangelie openbaring is en verhalen. Er is dus verschil. Toch, sinds mij deze vraag is gesteld, is mijn toevluchtname verbreed. Christus, evangelie en kerk staan niet langer voor dingen buiten mij, maar ervaar ik nu ook als wat in mij is geïncarneerd. Het gaat tenslotte om een helderheid van geest, een verlossende werking van inzicht en begrip, en het deelnemen aan een zinvolle wereld. Welke woorden daar dan ook de brug naar zijn.

4)1 “Ik neem toevlucht tot de Boeddha; ik neem toevlucht tot de Dhamma, ik neem toevlucht tot de Sangha”. (3x)

5)2“Hoe talloos de levende wezens ook zijn, ik zal ze alle bevrijden. Hoe grenzeloos de werkelijkheid ook is, ik zal haar geheel waarnemen. Hoe bedrieglijk de passies ook zijn, ik zal ze alle omkeren. Hoe eindeloos de weg van ontwaken ook is, ik zal hem ten einde gaan.”

6)3Liefdevolle vriendelijkheid, mededogen, wijsheid en gelijkmoedigheid.


Nieuwsbrief 28, februari 2016
Door Dorine Esser

De vogel met twee koppen

Op de Borobudur (Java, Indonesië), zag ik zo’n 30 jaar geleden een fascinerend reliëf dat een verhaal uitbeeldde dat ik toen totaal onbegrijpelijk en wreed vond. Het was zelfs zo’n schok voor mijn nog piepjonge morele begripsvermogen, dat ik er een dag niet goed van was.

Lang geleden, zeg maar gisteren, liep er een mooie vogel langs een prachtig gladgestreken meer. De tropische zon etste de aarde met haar stralen, maar deze vogel gedijde daar prima bij. Af en toe wierp hij zelfs een goedkeurende blik naar zichzelf in het spiegelende water. Het was geen gewone vogel. Ten eerste had hij een naam, Bharunda, maar nog uitzonderlijker dan dat: deze vogel had twee koppen. Eentje zat wat hogerop het lijf, de ander zat wat lager. Dat hij lager hing wilde evenwel niet zeggen dat de onderste kop ondergeschikt was. Hij was volkomen gelijkwaardig aan de ander. Qua herseninhoud en capaciteiten was er geen enkel verschil. Maar de bovenste kop dacht daar anders over.
In een fruitboom kon hij namelijk bij het rijpere en daardoor lekkere fruit. De onderste kop moest zich met de lager hangende vruchten tevredenstellen. Zo was het van bovenaf geregeld en daar was nou eenmaal niets aan te doen, vond de bovenkop. ‘Waar ik bij kan is gewoon van mij, zo simpel is dat!’

Het was de zoveelste dag dat de bovenste kop in vervoering uitriep dat hij een heerlijke vrucht had gespot. Hopelijk kon hij er met zijn snavel bij want de vrucht schitterde gewoon van zaligheid.
‘Och, wat ziet die er heerlijk uit!’ Hij strekte zijn hals tot voorbij de pijngrens om er maar bij te kunnen. ‘Hebbes!’ juichte hij tenslotte, waarop hij irritant traag en onder het slaken van verrukkingskreetjes, de sappige vrucht begon te verorberen. Superlatieven schoten te kort om dit voortreffelijke stukje fruit te omschrijven. Nee, nog nooit had hij zoiets overheerlijks geproefd.

‘Hee!’, zei de onderste kop enthousiast, ‘mag ik ook een stukje? Je klinkt zo overtuigend, het water loopt me al in de mond.’
De bovenste kop keek verstoord omlaag: ‘Dat is toch helemaal niet nodig, denk nou even na. Wat ik eet komt in dezelfde maag terecht. Uiteindelijk heb je er net zo veel plezier van als ik.’

De onderste kop werd hier instant verdrietig van. Een traan rolde over zijn wang en tegelijk steeg er een scherpe pijnscheut naar zijn hart.
Meteen daarop begon hij intensief de lagere regionen van de boom te onderzoeken, de allerlaagste zelfs… totdat hij vond wat hij zocht. Aan de felgroene kleur viel duidelijk af te lezen dat de vrucht waarop hij zijn droeve oog had laten vallen, uiterst giftig was. Met een zwaar hoofd snokte hij de vrucht van de tak af. De bovenste kop keek verstrooid naar beneden, totdat hij zag wat de onderste kop in zijn bek had. ‘Hee, wat doe je? Die vrucht is hartstikke giftig man! Laat onmiddellijk vallen!’
De onderste kop antwoordde zachtjes: ‘Weet ik wel. En doe ik niet. Wat maakt het jou trouwens uit? Het komt tenslotte toch allemaal in dezelfde maag terecht…’
‘Idioot!’ schreeuwde de bovenste kop. ‘Door wraak op mij te willen nemen ga je er zelf ook aan!’
De onderste kop zuchtte en nam een stevige beet uit het vruchtvlees waardoor het felrode sap rechtstreeks zijn keel inschoot. Binnen nog geen vijf minuten was de vogel dood.

Ik weet niet wat ik ervan moet denken, maar sinds vorig jaar komt dit verhaal voortdurend bij me op. Wat gebeurt er als ik het kalme meer vervang door een woelige Middellandse Zee? En als ik de bovenste kop ‘push back’ laat zeggen?  Belaagde terrasjes in plaats van een giftige vrucht…?

Het zal best naïef zijn maar nog altijd draag ik diepe verbondenheid hoog in het vaandel, dankzij jarenlang zitten in niet-weten en de warme aanmoediging van Bernie Glassman: ‘Als je niet weet wat je moet doen, begin dan gewoon. Begin met te erkennen wat is.’

Of in de woorden van Master Yoda: ‘Do or do not, there is no try!’

Als je wilt kun je met de Zen Peacemakers mee op Not Knowing Pelgrimage naar Griekenland.

https://zenpeacemakers.nl/not-knowing-pelgrimage-griekenland/


Nieuwsbrief 27, januari 2016
Door Manu Grisar

Ik ben het ontroerend met je eens!

Ik zie mezelf zo door de jaren evolueren en merk dat, sinds ik mijn ‘tweede’ leven ben begonnen de momenten dat er tranen in mijn ogen staan ontelbaar zijn.
Een filmfragment, foto, verhaal, een situatie , … zovele zaken trekken aan het ontroer-me-touwtje.
Mijn ogen worden vochtig en ik laat me van diep binnenin wat ‘roeren’ .
Geen haar op mijn hoofd denkt er dan aan om de ‘ik-heb-een-vuiltje-in-mijn-oog’ tactiek aan te wenden, en er staan best wel nog wat haren op mijn hoofd. Ze worden trouwens jaarlijks gecontroleerd door kalende of fel kalende bloedverwanten tijdens het nieuwjaarsdiner.
Mooie contacten ontroeren me, ont-moet-ingen, mensen met open vizier en open armen ontmoeten, een knuffel, een blik vol liefdevolle aanvaarding. Ogen die je voelt zeggen “je mag er zijn precies zoals je bent”. Mensen zien open bloeien gewoon omdat je luistert, anderen zien rustig worden omdat je zelf je adem volgt, met je lichaam als berg en je geest als een oneindig grote open hemel.

Warme dauwdruppels in mijn ogen omdat een ijverig bloemetje dat koppig maar teder tussen stoepstenen zichzelf naar de zon wringt, de blik van een baby die de mijne vangt en even boekdelen spreekt.
Een heerlijke kaaskroket die een fontein herinneringen in mijn hoofd doet ontwaken.
Mijn “goeiedag” die iemand op staat plots ontdooit en de aarde rondom met méér dan twee graden opwarmt.
Plaats geven als automobilist aan fietsers of voetgangers die willen oversteken en blij-verwonderd hun duim opsteken omdat je heel mindful aan het rijden was en hun lichaamstaal goed had geïnterpreteerd.
Mijn handicaps en beperkingen aanvaarden en er zelfs de grappige voordelen van zien.

Mijn ontroeringsmomenten zijn geen stof voor zakdoekactiviteiten of verkoudheidsloos gesnotter.
Het zijn juweeltjes die in en rond mijn ogen hangen en diamantjes vormen in mijn geest.
Tijdens de ontroering voel ik diep binnenin beroering. Een vinger die mijn hele wezen zachtjes aanraakt.

Ik voel mij vertragen, beter observeren, de situatie ‘lezen’. Rustiger en liefdevoller.

Wat maakt het dat deze zoete tranen van het hart hun weg vonden?
Het trainen in het ‘niet weten’, een situatie leren binnengaan zonder gehecht te zijn aan enige opinie, idee of concept. Mij totaal openstellen voor elke gebeurtenis.
En dus ook voor elke ontroering.
Het niet kleven van etiketjes, maar op een open wijze gewoon kijken wat er is, het precies laten zijn zoals het is. Een mooie bloem die tot in de kern haar pracht laat zien, daar geniet je toch niet van door ze te plukken?
Maar door ze te voeden met je ontroering, niet?


Nieuwsbrief 26, december 2015
Door Diana Vernooij

Vergeving kan niemand je leren,
De veerkracht van een Rwandese vrouw die de genocide overleefde

Hoe dicht het Godsgeloof van een diep christelijke vrouw kan staan bij onze Boeddhistische intentie van: niet weten, erkennen wat is en actie die hieruit voortkomt, bleek mij afgelopen maandag , 7 december. Ik  was bij de boekpresentatie van “Voor wie niet in wonderen gelooft”, een boek over de veerkracht van een Rwandese vrouw die de genocide overleefd heeft. Mama Lambert verloor ouders, zus en broer, man en 5 van haar 8 kinderen – ze waren allemaal vermoord. Mama Lambert heeft een sterk geloof in God en ze is dit najaar afgestudeerd als theologe.


Ooit onderwijzeres, heeft ze die baan vaarwel gezegd om te kunnen werken aan de ondersteuning van weduwen en wezen na de genocide van 1994 in Rwanda. Traumaverwerking, evangelisatie, groepsgesprekken, gemeenschapsopbouw – want wie alleen is overgebleven heeft een nieuwe familie nodig en nieuw geloof om goed te kunnen leven: daar werkt ze voor. “Door te luisteren en te begrijpen, door hen weer als mensen te benaderen, kunnen de vrouwen hun leven terugvinden,” zegt ze.

Mama Lambert zinkt op haar knieën op het podium om God te danken voordat ze begint te vertellen over haar ervaringen. Vergeving is haar centrale thema. De moordenaar van haar 2 dochters schreef haar vanuit de gevangenis en had haar om vergeving gevraagd – tot twee keer toe. De eerste brief van de moordenaar, waarin hij precies vertelt wie hij met zijn groep heeft vermoord en hoe, gooide ze woedend aan de kant. “Snel proberen te vergeten! Niet meer aan denken! Ten minste, dat was de bedoeling, maar zo zit een mens, ik dus, blijkbaar niet in elkaar. De brief had meer losgemaakt dan ik had verwacht. Vreselijke beelden kwamen boven. Altijd maar weer maalden de scenes van de talrijke moorden door mijn hoofd. Het werd een obsessie. Zou ik die allesoverheersende gevoelens ooit kwijtraken?”[i]

Twee jaar later kwam een tweede brief die ze bewust is gaan lezen en herlezen. “Naast de diepe gevoelens van weerzin die ook deze brief bij me opwekte, werd ik me er toch meer van bewust dat ik mijn leven niet op deze manier kon voortzetten. Ik moest ophouden hem in mijn hoofd te veroordelen,wraak te nemen, mezelf voortdurend als slachtoffer van zijn misdadig gedrag te beklagen. Ik besefte dat er maar één manier was om de moordenaar uit mijn hoofd te verdrijven en mijn beschadigd bestaan zin te geven en leefbaar te maken. Mijn opdracht luidde: hem vergeven. Door vergeving laat je je verleden gaan en sta je genocide niet toe om deel van je leven te blijven. Terugkijkend, constateer ik dat vergeven een rijpingsproces is dat de nodige tijd vergt. “Mij heeft het zes inspannende jaren gekost, zes lange jaren, met hulp van anderen en door veel te delen met anderen.” Vergeven vergt immense moed, meent Mama Lambert. “Het betekent dat ik tegen de opstandige vlagen van verdriet en woede ín durf te gaan, door me telkens bewust voor te spiegelen dat ik bereid ben om te veranderen. Dat houdt ook in: gemeend ingaan op de spijtbetuigingen van de dader. Vergeving vragen en vergeving schenken zijn twee essentiële voorwaarden om samen verder te kunnen leven, maar zij zijn wellicht ook het moeilijkst te realiseren. Het meest moeilijke is om te luisteren, om de weerstand die uit wrok of schaamte voortkomt te overwinnen.”

Vergeving vragen en vergeving schenken vinden hun oorsprong in het hart, meent Mama Lambert. Is het eerlijk en gemeend bedoeld, dan zal dit positief uitwerken op de geest. “Vergeving gaat samen met het kunnen luisteren naar de moordenaars, en iets voor hen doen waardoor ze zelf gaan nadenken.” Tegelijk waarschuwt ze ervoor om vergeven te zien als synoniem met vergeten. “Hoe kun je zoveel verschrikking vergeten, hoe kan ik mijn kinderen vergeten, alle ellende die ik heb gezien? Je moet ook blijven herinneren om te voorkomen dat het opnieuw gebeurt. Nee, vergeving is niet hetzelfde als vergeten. Maar je hardnekkig vastklampen aan het noodlottige verleden en pijnlijk verdriet biedt geen perspectief.” En ze beseft heel goed: “Je kunt niemand dwingen om te vergeven. Vergeving kan niemand je leren. God alleen kan het je geven.”
Mama Lamberts kracht uit zich in haar godsbeeld. Ze gelooft in een God die nabij is, bij alle slachtoffers. Hij is de brenger van Leven en altijd aanwezig bij de mensen die tot hem bidden om hulp. Hij is bij de mensen die stierven, en bij degenen die overleefden. De moordenaars moordden omdat ze dachten dat God dood was, dat zij daarom geen morele verantwoordelijkheid meer droegen, en dat zij daarom konden plunderen, verkrachten en moorden.

Vrouwen als Mama Lambert, vrouwen die overleefden, vrouwen die hebben leren vergeven: dat zijn de ware helden van de oorlog. Zij blijven de verhalen van hoop vertellen. Haar God helpt haar om niet te weten, om de haat en de weerstand los te laten. Daardoor kan ze kijken, luisteren, de verschrikkingen onder ogen zien. Ze kan de daders ter verantwoording en de slachtoffers tot nieuw leven roepen en werken aan een nieuwe samenleving van daders en slachtoffers samen.


[i] “Voor wie niet in wonderen gelooft” de veerkracht van een Rwandese vrouw die de genocide overleefde, Mama Lambert en Hans Dekkers, Oisterwijk: Wolf Legal Publishers 2015, p 186 en verder. De citaten uit deze column zijn deels afkomstig uit het boek, deels opgetekend tijdens de boekpresentatie.

 


Nieuwsbrief 25, november 2015
Door Diana Vernooij

Je ziet het als je het door hebt,
over het aanpakken van heftige emoties

Waarom ervaart de ene mens eenzelfde situatie als pijnlijker of heftiger dan een ander? Het is een intrigerende vraag die wij als boeddhisten neigen te beantwoorden met het concept karma. In Vipassana leerde ik dit: iets roept een basisgevoel van aantrekking, afstoting of neutraliteit op. Wij gooien er direct onze interpretatie overheen, een gedachte met een bijbehorende emotie. Ooit in het verleden heb je gereageerd op een manier die je emotie van nu bepaalt. Dit alles is dus nog vipakka, de gevolgen van scheppend karma. De kunst is, leert Vipassana, om niet direct te reageren. Daar ligt onze vrijheid. We kunnen ervoor kiezen om de impuls van de emotie te doorstaan en een heilzame reactie te geven. Het is een prachtige herkenbare analyse die mij tegelijk nog veel te theoretisch is, nog veel te rationeel.

In september kwam er een nieuw boek uit van Ingeborg Bosch, dat ik onmiddellijk gekocht heb. Zij heeft de Past Reality Integration (PRI) uitgevonden, een methode om de heftigheid van je reacties op wat je overkomt te begrijpen en te neutraliseren. Het is een effectief middel, die PRI. Ik ben er nu zo’n jaar mee bezig en realiseer mij steeds vaker welk mechanisme er onder mijn eerste heftige emoties en impulsen zit. Het lastigst is het, om niet meer te geloven in mijn overtuigingen. “Dat die ander niet zo stom moet doen, dat vindt toch iedereen” is zo’n overtuiging. Of: “Als ik mijn best maar blijf doen, komt het echt nog wel goed”. En deze herken ik ook als ik me onplezierig voel en dan te lang op facebook blijf hangen: “Er is niks aan de hand als ik maar bezig blijf mezelf af te leiden”. Ik geloof erin als ik erin zit, ik denk dat het de waarheid is, en dus leef ik eruit.

De vraag of ik wel zeker weet dat het is zoals ik denk dat het is – of ik überhaupt wel zo zeker kan zijn van mijn vanzelfsprekende interpretaties: die vraag helpt me om te beseffen dat ik het helemaal niet weet. Integendeel ik zit vast in een overtuiging, ik zit zelfs heel vaak vast in overtuigingen.

PRI laat zien dat je heftig reageert als iets je herinnert aan oude verdrongen pijn uit je kindertijd. Je hebt een weerstand ontwikkeld tegen een waarheid die je toen als kind niet aankon. Je volwassen geest reageert nog steeds alsof die kinderwaarheid de waarheid van vandaag is. Je ziet het als je het door hebt. Inmiddels heb ik wat alarmbellen ontwikkeld die me helpen om mijn overtuigingen te doorgronden. Zo liep ik op een dag rond met het gevoel dat het me allemaal te veel is wat ik op mijn bordje heb – en blijf ik maar rondrennen om het allemaal af te krijgen. Tot ik besef dat ik me laat opjagen uit valse hoop. Het is een oude valse hoop dat ik gezien zal worden en gewaardeerd als ik maar mijn best blijf doen. Deze valse hoop overdekt een oude pijn van toen ik als kind aan de kant werd gezet, uit het middelpunt van mijn eigen leven werd gescheurd door een drama in de familie. Het is een flits van erge pijn waarvan het voelen zo opluchtend werkt, dat ik de drive om rond te rennen kwijt ben. Ik kon het reëler zien: “Het is veel wat ik op mijn bordje heb, nou, dan doe ik de rest morgen wel”.

PRI biedt praktische instrumenten om alle sterke emoties te doorgronden, te onderscheiden en aan te pakken. Ingeborg Bosch heeft er al verschillende boeken over geschreven en ze raakt langzamerhand internationaal erkend. “Onze Liefde” heet haar nieuwste boek: “Hoe elkaar (terug) te vinden en niet (meer) kwijt te raken”. Nu zet ze liefdesrelaties centraal en de soms destructieve mechanismen van emotionele reacties op elkaar. Mooiere aanpak van emoties op basis van “niet weten, erkennen wat is en je actie hieruit laten voortkomen” ken ik niet. Zie: www.prionline.nl


Nieuwsbrief 24, oktober 2015
Door Manu Grisar

Mateloos machteloos

Je moet je neerleggen bij de dingen zoals ze zijn…
Maar eenmaal men aangereden is, is er geen terugweg meer voor bijvoorbeeld hersenschade.
Ik kan mij er niet bij neerleggen omdat ik er anderen zo mee kan kwetsen.
Ik wil verbeteren, een vorm van hanteerbaarheid, controle.
Het zou  fijn zijn ,niet met deze tijdbommen te moeten leven, niet meer met een zak granaten hoeven rond te zeulen die elk moment kunnen afgaan.
In zekere zin kan rust en regelmaat, voorspelbaarheid en stressreductie een boel schade vermijden. Maar de minste rimpel in het water, een plotse rukwind in het programma of gewoon een opeenstapeling van vederlichte dons geeft plots contact in de antipersoonsmijn en met een knal raast een korte windhoos van acties rond.
Soms na veel oefenen en proberen heb je een gevoel van controle. Alsof je een voorzichtige marionettenspeler bent die behoedzaam de touwtjes manipuleert. Maar eigenlijk is het eerder dat je met krachteloze vingers het idee hebt touwtjes vast te houden.
Ermee leren leven lijkt mij een helse opdracht.
En “doe nekeer uw best” is hier een zeer ongepaste opmerking.
Het is net alsof je 180km/u rijdt op een weg in de dichte mist, op de radio klinkt muziek waarvan van jou gevraagd wordt om tijdens je rit de maatsoort, toonaard en het juiste aantal kwartnoten te zoeken. Én je moet de in houd van je ijskast voor de geest halen en alfabetisch opsommen. De snelheid van je voertuig kan je niet kiezen, enkel je aandacht toespitsen op de weg. Het stuur heeft geen stuurbekrachtiging en in je oren wordt steeds vermanend commentaar gegeven. “Doe eens je best”, …
Alsof jij ooit koos voor die hersenbeschadiging, die vuurspuwende draak van woede, de gloeiende pook van de onmacht, de waas in je hersenen die doet vergeten, de klanken die je hersenen niet meer bereiken, de knagende pijn die er steeds is, …Als de snaren van de viool geknakt zijn, de toets gebroken en de kam loshangt helpt een “doe je best” niet; de viool kan zichzelf niet repareren.
Veelzeggende blikken en goede raad van de beste stuurlui aan wal zijn dan best pijnlijk.Je wil niemand kwetsen, je wil beantwoorden aan de eisen van de buitenwereld want die ziet al die onzichtbare handicaps niet, of aanvaardt ze niet maar weet best dat ze er zijn al heeft bijna iedereen op dat vlak een chronische alzheimer.Wat stuk is moet gemaakt, alles liefst perfect en onveranderbaar…En jij, omdat je “stuk” bent keert gewoon naar je adem en geeft de veranderlijkheid ruimte. Je bent getuige van je breekbaarheid, je “weet niet” maar houdt de liefde vast.
Zonder projectie of poging om de steeds veranderende werkelijkheid naar je hand te zetten of te bevriezen; hou je diep in je hart de warmte vast. Je keert in jezelf. Omarmt de essentie, die genster, een sprank van tederheid, onder je waterval van tranen in de wind van je verdriet. Jij …. jij vergeet de liefde niet …..


Nieuwsbrief 23, september 2015
Door Diana Vernooij

Iedereen is hier welkom

Ik was aan het werk om een column te schrijven over “Iedereen is hier welkom”, een uitdrukking die wij zo graag gebruiken voor hun sangha, hun kerk, hun hospice, hun buurthuis – omdat we zo graag ruimhartig willen zijn en open voor alle mensen. Ik wilde uiteen zetten dat het sympathiek klinkt maar zo onmogelijk moeilijk om waar te maken.
En toen werd Europa overspoeld door vluchtelingen, verzwolgen de zeeën de mannen, vrouwen en kinderen, en zagen we het allemaal voorbij komen in de krant en op tv en op facebook. De beelden, de filmpjes, de standpunten. Hoe graag zou ik niet willen dat wij zeggen: “Iedereen is hier welkom!” en dat iedereen zich ook welkom voelt en blij is.

“Iedereen is hier welkom” – Mijn collega ging eind augustus naar Lesbos op vakantie en mailt dat ze met haar huurauto de eerste dag al verstijfd langs groepjes wanhopige vluchtelingen rijdt. Ze besluit dat het geen strand en zwembad wordt – ze sluit zich aan bij een vrijwilligers­groep voor het uitdelen van voedsel en drinken. De eerste man die ze eten geeft weigert, hij wil liever geld.
Er zijn mensen bang voor hordes buitenlanders met een andere cultuur die onze zekerheden en vrijheden overhoop gaan gooien; Geert Wilders spreekt Zeewolde toe omdat hij tegen opvang is, iedereen moet maar terug naar de eigen regio.
Een foto van een jongetje, zacht en zoet liggend in de verdronken branding brengt Europa in rep en roer.

Ik had willen schrijven over hoe moeilijk het is voor daklozen om zich in een doorsnee hospice welkom te voelen, net zoals het moeilijk is voor homo’s om zich in een doorsnee kerk welkom te voelen. Er is zoveel meer voor nodig dan de bezwering: “Iedereen is hier welkom”. Wanneer voelt iemand zich welkom? Wanneer voelt een homo zich welkom in een kerk met de lange traditie van afkeuring en veroordeling? Heeft hij niet liever een uitbundige homoviering op een plein, een roze lappen om een kruisbeeld, en halfblote dansende mannen en kitscherige strijdliederen? Voelt een dakloze zich welkom in een hospice in een keurig burgerhuis met elke dag schone lakens en alle hygiëne en fleurig aangeklede kamers met lieve dames als vrijwilligsters? Heeft hij niet liever een kratje pils onder zijn bed en een paar asbakken erbovenop en wat luidruchtige mensen om zich heen om zich welkom te voelen?

En al die vluchtelingen? Ik schiet in tranen als ik een wanhopig boze man bij de trein zie schreeuwen dat hij niet naar een vluchtelingenkamp wil in Hongarije maar naar Duitsland.
Het met duizenden vluchtelingen overstroomde station in Boedapest: mensen die zich rond de treinen verdringen omdat ze naar Duitsland willen, naar het beloofde land van degelijkheid en huizen en banen en eindelijk rust. Wanneer voelen zij zich welkom in Europa? Het warme welkom, gescandeerd in het station in Duitsland: voelen de mensen zich echt welkom?
Er zijn veel particuliere initiatieven, mensen willen wat doen. De facebookpagina “Ik ben een Gastgezin voor een Vluchteling” neemt een vlucht. Mensen willen gastvrij zijn, schrijven zich in, willen contact. De avond dat ik aan deze column begin neemt de teller toe van 8601 naar 9601 aanmeldingen, drie dagen later staat de teller op 20.202. Mensen willen geen afstand meer houden, maar welkom heten.
Wij kunnen niet maken dat iedereen zich welkom voelt. Wij kennen de angst en de boosheid niet. We weten niet wat mensen willen of wensen of écht nodig hebben. Wij kunnen de trauma’s niet oplossen, we kunnen ze waarschijnlijk niet eens verdragen. Vluchtelingenwerk zegt dat ze geen vluchtelingen meer privé onderbrengen – de trauma’s zijn vaak te zwaar en te moeilijk voor gastgezinnen. Maar we kunnen luisteren en kijken en meeleven: de wanhoop, de boosheid, de blijheid. Er is maar één keuze: ons hart openstellen en erbij zijn.


Nieuwsbrief 22, augustus 2015
Door Diana Vernooij

Geen God en geen Voetbal

Sport promoten is in, ook voor daklozen. Voormalig zwerfjongere Nizar Gziel (25 jaar) loopt van mei tot eind augustus een Roofless Run van 2500 km langs de grenzen van Nederland om aandacht voor daklozen te vragen en geld in te zamelen voor o.a. sport voor daklozen (zie facebook Roofless Run). Hij is zonder iets op weg gegaan en gaat het gesprek aan. Hij laat zien hoe het is om te slapen op parkeerstroken en te eten uit containers. Een soort straatretraite voor het welzijn van daklozen dus. Helemaal mooi natuurlijk. Hij wil geld inzamelen voor zijn doel: “Door sport jongeren zonder een blik op een toekomst te motiveren en te inspireren naar de eerste stappen in een nieuwe richting”. (Leuk: hij heeft onderweg alles gekregen, niet alleen eten en koffie, ook een tent)

Ook de oproep in de Zenpeacemakers nieuwsbrief is me niet ontgaan. Ik heb me opgegeven, in september ga ik meedoen als vrijwilliger aan het WK Straatvoetbal voor daklozen in mijn eigen stad: “sportparticipatie voor mensen die buitenspel staan”. Lijkt me erg leuk, zo´n festijn. Al ben ik razend nieuwsgierig welke daklozen er gaan voetballen.

Is sport een wondermiddel? Ik heb niets tegen sport, maar zelf zweer ik bij yoga en meditatie en stilte. Toch heb ik er nooit over gedacht om in mijn werk daklozen aan het mediteren te zetten. Ik werk dan weliswaar als manager bij de daklozen, zodat ik zelf geen daklozen begeleid, maar toch – ook mijn medewerkers stimuleer ik niet tot mediteren.

Degenen die net bij ons zijn aan komen lopen hebben geen boodschap aan voetballen (of mediteren). Onze opvang is het putje van de maatschappij: de mensen die binnenkomen hebben geen huis of inkomen meer en meestal wel veel schulden en emoties en vaak ook een verslaving en een ongezond lijf. Sporten is wel het laatste waar ze dan voor te porren zijn. Om te kunnen gaan sporten moet je toch al wat opgekrabbeld zijn uit het ravijn waar je in gevallen bent.

Natuurlijk zijn er ook daklozen die wel te porren zijn voor sport. Gelukkig maar. Maar de hoeveelheid energie die gestoken wordt in stimuleringsprogramma’s – ik geloof er eigenlijk niet in. Ik ben zelf ook niet te porren tot sport, nog met geen 100 stimuleringsprogramma’s.

Waarom? Omdat ik graag zelf mijn spoor trek, graag zelf ontdek waar ik warm voor loop – en daar mijn energie in stop. En dat is bij daklozen niet minder. Ik geloof er wel in om de mensen die tijdelijk bij ons wonen, te vragen waar zíj hun bed voor uitkomen, waar zij glimmende ogen van krijgen, wat hen écht blij maakt. Daar ligt hun motivatie en misschien is dat sport maar waarschijnlijk is het iets anders. Ik geloof niet dat mensen er veel aan hebben om gestimuleerd te worden: “Kom joh, het is goed voor je”, brrr. Juist als je kwetsbaar bent moet je je eigen spoor hervinden en niet iets verkocht worden als reddingsmiddel, geen god en geen voetbal. Maar misschien heb ik het mis – ik kijk uit naar september, naar het WK Straatvoetbal.

O ja, en ik heb ook gedoneerd hoor, niet zozeer vanwege zijn missie, maar wel omdat ik in die ex-zwerfjongere geloof.


Nieuwsbrief 21, juli 2015
Door Diana Vernooij

Geloof jij in de liefde?

“Geloof jij in de liefde?”, is het thema dat ik koos voor de zomerviering in mijn kerk De Duif[i]. Dapper noemde iemand dat, mijn relatie is immers uit. Maar, dacht ik meteen, daarmee is het geloof in de liefde toch niet verdwenen?

Wat doen we toch met relaties? Ik herinner me van eens toen ik een verliefdheid toeliet: ik accepteerde dat de ander mij pijn mocht doen en daarmee stelde ik mijn hart pas echt open. Eckhart Tolle zegt: “als je een relatie begint om gelukkig te worden, kom je bedrogen uit – als je een relatie wilt om ervan te leren, zal je succesvol zijn.” Ja, relaties zijn voor mij heel succesvol geweest in die zin: vliegwielen van veranderingsprocessen, deze laatste zeker ook. Het stemt me dankbaar en tegelijk maakt het verlies me mistroostig.

Nu pas, na een jaar, kan ik er naar kijken, nu de eerste schrik eruit is. Ik ken mezelf amper als vrouw zonder relatie. Ik bezie mezelf, wie was ik met relatie, wie ben ik alleen? Nog steeds met slierten verdriet – geen bitterheid, wel verbazing en ja verbijstering soms. Ik heb toch veel relaties: vriendinnen, familie, kennissen, facebookvrienden, buurkinderen, kind aan huis, ik leef niet alleen. Maar zelfs die relaties zijn anders nu ik “alleen” ben.

Het vreemde is, dat ik nu pas zie hoe ik was ín de relatie. Losgescheurd van mijn lief, zie ik hoe ik met alle vezels was verbonden en ook hoe ik met al die vezels gericht was op het welzijn van die ander. Lege nestsyndroom, denk ik bij mezelf, zoiets. Was dat te grote betrokkenheid of overkomt dit altijd degene die verlaten is? Ik herinner me andere relaties die ík toen heb verbroken – en daar overheerste het gevoel van vrijheid. Nu overheerst het ongeloof en, ja toch ook, een gevoel van vrijheid.

Ik las de ‘Ode aan de ex’ van David van Reybrouck in de Correspondent. Een mooie zoektocht naar de intense en veellagige verhoudingen die we overhouden aan onze vroegere geliefden. “Europa is het continent der exen” schrijft hij. Hij vermoedt dat er nergens anders zoveel exen rondlopen als gevolg van onze individuele vrijheid gecombineerd met het ideaal van de romantische liefde. Hoe prachtig is het niet om dan met zoveel exen, je ex in ere te houden. Hoe sterk als je de pijn kunt verdragen en je verleden niet hoeft te vermoorden in valse passies als bitterheid of boosheid? In de relatie voelde ik me geborgen én uitgedaagd.
Ik kijk naar het proces van verliefdheid. Het gaf me een deel van mezelf terug, een deel dat ik nog niet goed genoeg kende. De neiging is sterk dat onmiddellijk op de ander te projecten – hij / zij is degene die het mij geeft – en ik noem dat mijn relatie. En daar begint het gevecht. Tot ik kijk naar de ander en besef dat alles wat ik zie wel eens mijn eigen interpretatie zou kunnen zijn. Hier begint de echte bevrijding. Ik zie de zaden van de kwaliteiten die ik me nog niet heb eigen gemaakt en ik zie ook in de ander wat ik in mezelf hekel. Juist nu het uit is, zie ik dat. Ik zie wat ik leerde en ik zie waar het aan schortte.

Geloof jij in de liefde? Eigenlijk hoop ik nog steeds dat er een liefde komt die mij duurzaam gelukkig maakt. Maar ik weet weer dat relatie de leerschool van het leven is, die mij niet geeft wat ik wil maar geeft wat ik te leren heb.

Ik zal die zondag lieve muziek draaien en teksten spreken die je alleen maar kunt uiten met een open en warm hart.

[i] Zondag 26 juli ga ik voor in oecumenische basisgemeente De Duif in Amsterdam. Het overkoepelend zomerthema is “Geloof jij in de zomer?”. Zie www.deduif.net


Nieuwsbrief 20, juni 2015
Door Diana Vernooij

Gate of Sweet Nectar, mei 2015 – Bernie Glassman in Gent

“Begint het al te leven?” vroegen we elkaar in de pauze. Drie keer voerden we het ritueel The Gate of Sweet Nectar uit met Bernie Glassman in Gent, in de Sangha van Frank de Waele sensei. Rituelen raken je als ze eigen worden, in eerste instantie gewoon door ze te leren kennen en ze te herhalen. “Stukken ervan raken me”, bevestigden we elkaar, “maar er is nog zoveel vreemd”.

Bernie Glassman heeft Kan Ro Mon, het oude Japanse ritueel voor aanbidding van de voorouders, herijkt en aangevuld. The Gate of Sweet Nectar is voor de Zen Peacemakers een ritueel waarin de hongerige geesten worden opgeroepen. Al die kwaliteiten van onszelf die ontkend zijn, en al die onderdelen van de samenleving die onderdrukt zijn – ze worden in dit ritueel tevoorschijn geroepen en gevoed. Het is een ritueel van eenmaking: alles wat verdrukt is, vergeten, veroordeeld, weggegooid, gemarginaliseerd, ontkend – het mag er zijn. Sterker nog – we nodigen al die aspecten vol passie uit aanwezig te komen omdat ze ons één maken met de Boeddha’s. Zonder hen geen verlichting.

Het christelijke ritueel is makkelijker toegankelijk voor me dan de boeddhistische. Die moeten moet langzaam veroverd worden, geproefd, gevoeld, beleefd. Ik heb inmiddels mijn eigen boeddhistisch ritueel iedere morgen met yoga, toevluchtname, boddhisattvagelofte, buigingen en meditatie. Dit ritueel raakt mijn hart omdat ik er volledig mee samenval. Maar verder blijven de boeddhistische rituelen Japans, Thais, Tibetaans, maar niet Hollands, niet voor mij.

Ik hield van de kerk tot ik er als puber ben uitgestapt – het was me te burgerlijk, te braaf, te benauwd. Tot ik bij de begrafenis van mijn moeder de liturgie heb herontdekt. Ik kon het ineens ervaren: de gezamenlijkheid van het bidden en zingen, het oproepen van de inspiratie. De afwisseling van stilte en gebed, van inkeer en naar buiten gaan. Hoofd en hart die worden aangesproken, woorden die de kern raken van wat op dat moment gezegd moet worden, wat gezegd kan worden.
Ik wilde deze wereld binnenstappen en werd uiteindelijk pro deo voorganger, 25 jaar geleden, in De Duif in Amsterdam. Het is een liturgie volgens het stramien van de katholieke kerk. Veel muziek, gebed en een beetje stilte. En de bedding van het ritueel is altijd: je toewijden aan de inkeer, oproepen van de geest, samen delen van woorden en daden en je toewijden aan het leven. En dat brave en benauwde, dat stoppen we er gewoon niet in.

De intentie van The Gate of Sweet Nectar is fantastisch, dat raakt me. Nu is expliciet alles wat uitgesloten is uit het opgepoetste representatieve leven uitgenodigd. Juist alles wat niet aanwezig mocht zijn in de kerk van mijn jeugd en waarom ik er ooit vertrok, dat is nu het hart van de liturgie.

Bernie heeft zich het ritueel gemaakt tot een Zen Peacemakersritueel met een prachtige naam: The Gate of Sweet Nectar. Hij nodigde ons uit om het ritueel eigen te maken, niet alleen door hem uit te voeren, maar ook door eraan te schaven, net zolang tot hij bij ons past: een mooie opdracht!


Nieuwsbrief 19, mei 2015
Door Manu Grisar

Ik ben een lucifer!

Het begon mij te dagen, er was een heldere flitsgedachte, een lichtje ging op, mijn euro viel, …
Bij het zien van een kartonnetje lucifers wist ik het plots!
Ik ben een lucifer, en wel van het herbruikbare type, oneindig keer aan te strijken.
Ha! Noemen ze dat een verlichtingservaring?
Ik kan mensen aansteken (niet met griep of zo). Blij en enthousiast maken, een lach op hun gezicht toveren, samen een licht zien aan ’t eind van de tunnel. Energie geven, warmte, …
Iedereen lijkt dan wel een kaars met álle kwaliteiten om te branden, een wiek gedraaid van kwaliteiten, liefde, mededogen, geduld, wijsheid, …
Allemaal ontdekkingen van hun eigen natuur, van wat er altijd al aanwezig is geweest.
Alleen durft een mens soms wat op een lager pitje branden, beginnen flakkeren en zwarte roet afgeven, of bijna uitgaan. Burn-out, zwartkijker, geen licht aan de horizon.
Het zien alleen al van de lucifer doet al veel gedachten opkomen, beelden, … Eigenlijk steekt de lucifer geen mensen aan, ze doen het zelf, ontbranden spontaan of zien terug hun waakvlammetje.

Een lucifer kan ook lange tijd in het doosje wachten of bij sommige open haarden een grote lucifer, extra lang, strategisch in het zicht liggen, nu en dan afgestoft.
Geduld is een mooie (lucifer)deugd. Alleen het vermogen hebben om een vuur te doen ontbranden is soms al voldoende om hoop te geven.

Ook het luciferdoosje heeft wat magisch, het wordt soms gebruikt door goochelaars en illusionisten.
Het kan schijnbaar leeg zijn en toch gevuld, de inhoud kan verrassend zijn en eenvoudig.
Het heeft een specifieke geur, net als onze herinneringen soms gewekt worden door wat onze neus opvangt.
En de zijkanten zijn wat ruw. Soms is wat wrijving interessant om iets voor elkaar te krijgen. Liefde is niet steeds zacht, meegaand en soepel. Het heeft vele vormen, verschillende gezichten, geuren en smaken.

Brand jij ook van verlangen om aanstekelijk te zijn voor anderen?
Train alvast de hoeken van je mond en steek de pretlichtjes al aan!
We hebben een match! (Union Match! Lucifers verenig u!)


Nieuwsbrief 18, april 2015
Door Dorine Esser

Helaas waar gebeurd

Ik ben er nog niet overheen dat ik mijn moeder pas weer zag toen ze dood was. En het was maar een paar maanden geleden toen ze nog leefde. Er was toen echt niets aan de hand! Daar lag ze dan in haar pyjamaatje, mamaatje…
Haar mond was niet van haar. Maar al de rest was ze echt, maar dan dood. Geen beweging in te krijgen. Daar huilde ik om, ik raakte ervan overstuur… Hoe kon een moeder, een levensbrenger levenloos zijn? Er zo houterig bijliggen? Dat ging er op dat moment gewoon niet in bij mij. Als er nou iemand was, die voor eeuwig had mogen blijven leven, dan was zij het. Ik kon die kist niet uitstaan.
Mijn moeder lag in een doodskist en ik wist niet hoe je daarmee omgaat. Ik was volledig de kluts kwijt in die marmeren, naar dood ruikende Spaanse kapel waar alleen mensen kwamen die iemand verloren hadden of zelf niet meer bewogen.
De kist was afschuwelijk. Het zag eruit als een sjofel in elkaar geschroefd Morris-meubel. Samengeperst spaanplaat met een zo dun mogelijk laagje net-alsof-hout. De binnenkant heb ik niet eens bekeken. Alleen mijn moeder. Alleen haar zag ik. Ze had een goedkoop pyjamaatje aan. Een flinterdun nachtponnetje. Niet van de opwinding maar van het vele wassen. De lichtblauwe kleuren waren transparant geworden. Het was het enige dat nog bewoog toen ik haar voorzichtig op haar voorhoofd kuste. Dat had ik me voorgenomen voordat ik naar Spanje ging. Ik wilde haar kussen omdat ik niet bij haar was toen ze stierf, toen ze doodging van de pijn. Nog een keer wilde ik haar voelen. Wat het ook zou zijn. Ook al voelde ze onnatuurlijk, koud, bevroren, naar. Ook al deed ik dan een herinnering op die ik met geen mogelijkheid meer zou vergeten. Ongewenste herinneringen zijn een soort ongewenste intimiteiten.

Zou ze me gezien hebben toen ik haar een zoen op haar voorhoofd gaf? Nog altijd vond ik het onwezenlijk, niet waar. Hoewel mijn verstand zei dat het echt gebeurd was, de dood. Het zou bij wet verboden moeten zijn. Moeders, vooral knuffelmoeders horen niet in een kist. Ze horen niet stil te liggen zonder vooruitzicht op beweging om je op schoot te kunnen trekken. Troostende woorden te spreken, in geuren en kleuren te vertellen hoe trots ze op je zijn. Onherroepelijk gesloten ogen horen daar niet bij!
Ik had overlegd met mezelf over deze doodse ontmoeting voordat ik vertrok en het vliegtuig nam. Zal ik het doen? Kan ik het aan? Of verpest dit kleine moment daarna voorgoed de smaak van moederliefde. ‘Een daad van liefde is altijd goed’, was het advies dat ik nodig had om te beslissen dat het mocht. Dat ik in zou staan voor eventuele permanente schade. Ik kocht bol opgespannen in cellofaan verpakte kipfilet bij de Colruyt en vroor het in.
Toen het stevig bevroren was ben ik gaan oefenen, ter voorbereiding. Ik drukte mijn lippen op de verpakking: ‘Dag mamma. Lieve, lieve mamma, ik zal je zo missen.’ En dat is ook zo, ik mis haar nog steeds.
Dus ik ben goed voorbereid vertrokken.

Ze voelde wonderlijk warm en zacht aan. Alsof ze echt was. Verbaasd gaf ik een tweede kus. Daarna had ik wel een onaangename smaak in mijn mond. In de auto op weg naar haar huis, nam ik een Smintje.
Haar begrafenis was gezellig. Pas als je het meemaakt weet je dat het kan, gezellig begraven. Er waren kaarsen. Het licht was gedempt, geen neonbakken, het was intiem. Dood kan er gewoon bij horen zoals kerstmis.

Leesaanrader!
Mitch Albom, Mijn dinsdagen met Morrie, uitgeverij Ambo/Anthos


Nieuwsbrief 17, maart 2015
Door Manu Grisar

Het regent tussen de sneeuwvlokjes door of is het net omgekeerd?

Of dalen de sneeuwvlokjes rustiger neer terwijl de druppels in een noodvaart de aarde tegemoet vallen.
Laten we het vergelijken met onze geest. Een gesloten geest die verkrampt en lijdt onder stress en waar de storende emoties de plak zwaaien kan wel eens hard knallen tegen een muur, grenzen of in de put (en daar blijven zitten).
Een open, ontspannen geest waar de gewoonte heerst om in het moment te zijn, ruimte te voelen, ademruimte, waar training, ervaring en liefdevolle vriendelijkheid de bedrijfscultuur is en men de storende emoties ziet, omarmt, en doorgrondt, is eerder een sneeuwvlok, een kristal, wijdvertakt, symmetrisch.
Deze laatste heeft duidelijke een andere valversnelling dan de aërodynamische druppel.
Ze vertrekken allebei uit dezelfde wolk en volgens de wetenschappers, die daar ter plaatse waren, vertrekken ze allemaal als sneeuwvlok.
Maar onderweg verandert er iets in het denkparcours waardoor er een zekere verharding, grotere densiteit, vernauwing gebeurt. Dat is dan de druppel die de emmer doet …
Bon, Frank Zappa zei al eens tussen snor en sik door “the mind is like a parachute, it doesn’t work if it’s not open”.
Hoe is het mogelijk dat wij aangeboren kwaliteiten en een verwonderde vriendelijke open blik kwijt spelen tezamen met onze enorme lenigheid.
Niet enkel lichamelijke lenigheid maar ook in onze bovenkamer, op vlak van de positieve synaptische verbindingen, en zelfs daarbuiten, vermits de geest verder reikt dan de hersenvliezen.
Lenigheid, die we verloren kunnen we terugwinnen door training. “bewegen, bewegen, bewegen!” snauwt Oskaar de trainer (cfr De Kampioenen) maar dat is het niet écht.
Eerder beweging opmerken, meebewegen, bewogen durven zijn, beweging observeren. Maar vooral de ruimte creëren waarin die beweging er mag zijn.
Vanuit een vriendelijke verwondering, niet wetend, niet onwetend.
Een beetje beroerd en ontroerd maar allemaal vanuit de natuurlijke toestand.
Een sneeuwvlok heeft ook geen vizier waardoor men kijkt en bijstuurt naar een  kruis dat op de aarde als landingsplaats is gemarkeerd.
Het is gewoon een observerende beginnende lach, een getuige zijn van hoe het nu is en zo een oefening in aanwezig zijn en getuige zijn hoe het voor anderen is (geweest).
Een training in het smeren van de scharnieren die het deurtje van je hart knarsend dichthouden. En dan liefdevol leren openplooien, eerst een kiertje (dan hebben we al wat harts-tocht) en dan verder en verder. Tot we vanuit het hart spreken en met ons hart luisteren.
Van de regen in de drop? Neen, geef mij maar een sneeuwvlok!


Nieuwsbrief 16, februari 2015
Door Dorine Esser

De Onhebbelijke Gelijkhebber

Het had de titel van een Suske en Wiske kunnen zijn, maar daarover later meer. Eerst wil ik iets bekennen. Al is het schoorvoetend toch wil ik iets toegeven over wat ik tot mijn schaamte ontdekte. Iets waarover ik lang stil ben geweest maar wat nu toch maar eens het licht moet zien. Als ik het om me heen zie gebeuren, als ik mensen fanatiek vind, of onverzettelijk en vastgeroest in hun meningen en hun achterlijke on-coole ideeën met geweld zie opleggen aan anderen, dan heb ik meteen een vers oordeel gebakken. Klaar om opgediend en heet gegeten te worden. Maar hoe gaat dat eigenlijk met mij? Hoe reageer ik als mijn denkbeelden en heilige overtuigingen in het gedrang komen?

Ik beken: Er schuilt een terrorist in mij een gelijkhebber die oude vriendschappen rucksichtslos voor het vuurpeloton zet en nieuwe vriendschappen acuut weet te bedreigen. Het is een regelrechte blamage maar in mij woont een verstarde extremist. Hij heeft zijn intrek genomen in de schaars verlichte kelder, slaapt op wat kartonnen dozen in een oude legerslaapzak tussen afgedankte meubelen. Hij eet pizza’s uit binnen het uur aan huis geleverde dozen en snackt tussendoor zonnebloempitten. Hij heeft een onesthetische baard laten staan als uitroepteken bij zijn onethische gedrag en is voorlopig niet van plan te vertrekken. Sterker nog, hij overweegt om tijdens uit het niets opkomende verongelijktheid het hele zaakje op te blazen, mij de trappers te laten verliezen om me zodoende aan te zetten tot ongeciviliseerd gedrag. Hij is een uit het beste dogmatische hout gesneden eersterangs zwartwitfilosoof met op zijn CV de volgende hobby’s: SM, (liefst) met zwarte vlaggen zwaaien en kamikaze vliegen. Daarbij blinkt hij uit in het letterlijk nemen van transcendente teksten en heeft hij tegelijk een zwak voor los in het vel zittende puppy’s en teddybeertjes. Alles wat er enigszins uit kan zien als een bedreiging van zijn vaste waarden wordt gretig onder vuur genomen of in een vlaag van opkomende krenking zonder aarzelen met de grond gelijk gemaakt.
Het is ronduit gevaarlijk in huis met deze ongenode gast.

Ik heb van alles geprobeerd. Heb paramilitairen voor het keldergat laten posteren in de hoop zijn dreigende acties te ondermijnen. Maar toch wist hij ongemerkt naar boven te komen. Ik leerde niet-agressief communiceren waarop hij gelijk ondergronds ging. Tot slot probeerde ik hem te temmen door hem eten te geven in navolging van de bestseller Bevrijd je demonen: ‘Kom binnen, neem een stoel, ga zitten! Wat eet je? Wat drink je niet-alcoholisch natuurlijk?’ Maar hij geloofde me niet en verdween weer schichtig de duisternis in. Dit is mijn allerlaatste poging. Ik stel hem bloot aan jullie. Nu weet iedereen die dit leest dat hij leeft in mij en dat hij me alleen al door te bestaan de mond probeert te snoeren. Ik laat hem vanaf nu dagelijks naar buiten. Ga met hem wandelen als met een hond maar dan hand in hand. Want eerst is hij vast bang, durft niet los te lopen en blaft natuurlijk iedereen af. Maar het licht zal hem zachter en het wandelen zal hem soepeler maken. We raken vertrouwd met elkaar en door mijn zorgzame aandacht en onderzoekende blik, ontwapen ik hem. Ik kan niet anders meer dan erkennen wat is en tegelijk bent u gewaarschuwd voor die radicale griezel in mij.

Om op Willy Vandersteen terug te komen. Voordat Suske en Wiske er waren dacht hij op deze manier goed bezig te zijn (zie afbeelding). Zo ligt er tussen uit haat geboren satire en humor een flinterdunne lijn. Door te denken gelijk te hebben, de waarheid te vertegenwoordigen, kortom door overtuigd te zijn het ‘goede’ te doen gebeuren de vreselijkste dingen. En daarom raadde iemand al 2500 jaar geleden aan niet zozeer het goede te doen, maar het slechte te vermijden door werkelijk alles op alles te zetten om niets of niemand kwaad te doen:

suske en wiskeWant nooit komen uitingen van haat
In deze wereld tot rust door haat,
Maar door niet te haten komen ze tot rust.
Dat is een eeuwige wet.

(uit: De verzameling van korte teksten, Deel 1, Dhammapada, uitgeverij Asoka, p. 273, 5.) Tsultrim Allione, Bevrijd je demonen, Servire.

Foto van Anti-Semitische strip van Willy Vandersteen in een vitrine van Museum Kazerne Dossin, Mechelen, België

 


Nieuwsbrief 15, januari 2015
Door Manu Grisar

Openbloeien, lente in de winter!

Overal heb ik het bij mij.  Een monnikstas met daarin genomen geloften, regels, dag/na/dag geloften, kleurige Zen Peacemakers rakusu, en het onzichtbare rugzakje openheid naar mijn medemens en engagementen.
Absoluut geen zwaar “wegende” bagage die ik op mijn schouders moet torsen. Maar wel een ernstige inhoud. Een warme, energieke, levengevende invulling van al mijn werk.
De openheid, het niet verwachten of invullen van bijvoorbeeld hoe iemand is of hoe een situatie zal zijn.
Eerder een blij open gezicht met tijd en geduld. Ook naar mezelf toe. Ik ben NU en ik heb tijd voor je. Ik kijk je in de ogen en blijf voor een zeker percentage bij mijn ademhaling. Ik probeer jouw energie aan te voelen en goed weer te geven wat ik je hoor zeggen. Ook tussen de regels door. Maar ondertussen blijf ik ook mezelf. En dat is wat evenwicht oefenen. Niet ik sta centraal, maar toch wil ik er zijn als simpele mens. Met mijn kwetsuren, mijn gevoeligheden. Écht.
Dat is een hele klus, er voor de andere zijn maar toch zorg dragen voor mijzelf. Soms doe ik dat door wat afstand te houden.
Een kleine bumper schroom en stilte tussen ons.
Een onzichtbare nota in mijn agenda. ” niet te véél, niet te vol”, tijd voor rust, gezin en eigen praktijk. Tijd om bij te tanken, geënthousiasmeerd te raken, te verwerken.
Tijd om volop kwetsbaar mijn hart te laten spreken en te luisteren naar wat ik zeg.
Tijd om ; hoe vreemd het in mijn geval mag klinken: muziek te maken.
Op de Kiowa flute, op de gitaar of met het ritme van de Bodhràn. tokkelend op mijn piano terwijl ik zing …. en vooral “voel”.
De ziel een melodie te laten weven met noten uit allerlei muziek(instrumenten)bomen.
Ik heb ook de ruimte nodig om mijn eigen foute redeneringen of impulsieve gedachten te ordenen. En ook eventueel zaken uit te gommen en het anders te gaan zien of aanpakken.

Onder de schilderijen van de grootste schilders zitten soms ook vroegere pogingen, niet ?
Dat toelaten, de liefdevolle vriendelijkheid en mildheid naar mezelf toe inoefenen en beoefenen. Vertrekken van die belangrijke kwaliteiten, diep in eenieder mens reeds aanwezig, dus ook in mezelf.

En gelukkig hoeft dat ook niet alleen, een kleine en fijne gemeenschap geeft de kansen, mogelijkheden om af en toe elkaar te zien. Beoefenen en beluisteren, pareltjes opvissen.
Even diep duiken in alle veiligheid.
Regelmatig zien we elkaar en oefenen we, be-oefenen we.
In de lage landen komen we op verschillende plaatsen samen om steeds weer dat bronnetje aan te boren.
Eenieder zingt zoals ie gebekt is en we luisteren naar elkaars melodie.
Open, onbevooroordeeld, op basis van gelijkheid.
Het begon 2600 jaar geleden met die persoon onder die boom, en volgde trajecten langs vele landen en culturen. Toch inspireert het steeds weer om er te zijn voor jezelf, de andere, en te zien dat die niet gescheiden hoeven te zijn.
Het bronnetje laaft ons en geeft telkens weer een uitnodiging om zélf te gaan zoeken naar de essentie, naar onze intentie, naar ons eigen bronnetje van liefdevolle vriendelijkheid.
We omarmen de wereld, onszelf incluis.
Er is geen select clubje of een “kijk naar ons”. We delen graag en dat kan nu ook jouw maaltijd zijn, voedsel voor de ziel, voor de wereld.
Eenieder kookt met de eigen ingrediënten.
Ook jij kan daarvan proeven!!
Deze groep is open en voor het eerst komt er in de zeer nabije toekomst een weekend voor iedereen om die diamanten te vinden. En ons te verheugen over de vele kleuren die de facetten weerspiegelen.
Enkele dagen samen, open bloeien als een Lotus, verdiepen en verwonderen in  de zachtheid van een gemeenschap. De kans om eens te proeven, wat te verstellen. En versteld te staan. Vanuit niet weten, verwondering , ontspannen openheid.
Het lijkt wel lente!


Nieuwsbrief 14, december 2014
Door Manu Grisar

Over touwtjes en kommetjes gesproken, … en ook hoorns:

Met regelmaat, zo halfjaarlijks zegt iemand mij:
“Allemaal schoone tekstjes, maar schrijf nekeer iets positiefs”.
Waarschijnlijk vol goede bedoelingen en misschien vanuit een zekere bezorgdheid. Hopend op een happy end (en we leven nog lang en gelukkig) of nog niet toe aan de realiteit die wel eens minder rooskleurig zou kunnen zijn. Maar zeker niet meer grijs !!!
Ik steek steeds, naar mijn gevoel, iets positiefs in mijn teksten maar ontken ook niet de andere zaken. Ik zie ze en deel ze. Getuig dat ze er zijn. Zonder dat iemand verplicht is om het te lezen.
Er is een “leesvrijheid” in dit land! De vrijheid van je ogen te sluiten of een oogje dicht te knijpen.. maar het is wel verboden om de cactus in het donker te knijpen… allemaal op eigen risico.
Ik probeer steeds mezelf te lezen, hoe het met mij is, aan de binnenkant, en merk dat ik ouder word, ik lees nu best zónder bril.
Tijdens het “lezen” de laatste weken merk ik dat er een lichtheid is, een intieme vreugde. De keuze voor de innerlijke lach! Die is er natuurlijk allang maar het valt mij meer op. Misschien omdat het hartverwarmend werkt en bij deze lage temperaturen warmere plekjes meer opvallen. En omdat ik méér ‘zit’, ‘stap’, ‘eet’, ‘drink’, ‘slaap’, met aandacht en openheid, zonder met een houten hamer klaar te staan om mijzelf een flinke tik op het hoofd te geven als ik iets opmerk dat mij niet zint. Gewoon vrolijk, niet wetend, getuigend, liefdevol.
Op één dag tijd voel ik het getijde van mijn zelfvertrouwen. Ik zoek de touwtjes die het bedienen, het mechanisme, de radertjes.
Soms ben ik de schuchtere,bange teruggetrokken schildpad die omwille van handicaps ergens tegenop ziet, zich ontmoedigt;
en een uurtje later krijg ik vleugels, dan blaak ik van zelfvertrouwen. Ik ontleed en bestudeer.

Deze week viel er een glazen kommetje vanuit het bovenste vak uit de kast. Vermoedelijk viel het door de zwaartekracht naar beneden om daar in vele scherven uiteen te spatten. Ik reageerde niet, ik hoorde het kommetje gewoon niet. En nu denkt u, “het zal wel een stil kommetje geweest zijn …”
MIS!
Dus sprong ik ook geen gat in de lucht van het verschieten, hoefde dat al niet hersteld te worden.
Het kommetje was perte totale. Maar mijn rust bleef bewaard.
De muziek speelt steeds meer een rol in het dagelijkse bestaan! De nieuwe instrumenten zijn volop in de running en de oude worden nog steeds beroerd.
U bent steeds meer dan welkom dit aan de lijve te ervaren.
De dove papa speelt ’s avonds laat op haar verzoek de dochter in slaap met zijn gitaar, heeft een dagafsluiting en evaluatie met de zoon onder zijn dons (amai! In het duister is het enorm moeilijk liplezen! ). Vreemd genoeg hoort hij ’s nachts bij het inslapen het snurken van moeder de vrouw, (met de hoortoestellen uit!), of is het eerder de trillingen “voelen”? horend voelen, voelend horen?… Ik krijg voelhoorns, dát is het!!!


Nieuwsbrief 13, november 2014
Door Manu Grisar

Verstrooide professor

Sommige bouwfirma’s leveren huizen “sleutel op de deur”. Andere hulpverleners begeleiden mensen bij verlies. Vanaf een bepaalde leeftijd is een “uiltje knappen” gepermitteerd. Er bestaat iets zoals een “naamloze vennootschap”.
Scherven brengen geluk. Hoedje af …

Ik merk dat ik regelmatig mijn sleutels op de deur laat zitten, zelfs al zit ik lekker binnen verschanst, deur op slot. Soms ben ik dan nog iets in de auto vergeten en als ik het ga halen constateer ik op de terugweg dat er “iemand” zijn sleutels heeft laten steken in de hoofdingang.

Sleutels durven nogal eens een eigen leven leiden en ontsnappingspogingen wagen, zélfs tot op een pechstrook …
Twintig kilometer verder merk ik in een controlereflex dat de sleutels niet meer op hun vaste plaats zitten, bij de aansteker en de neusspray.
Alle alarmsystemen gaan dan af! Hartslag stijgt en het angstzweet breekt uit.
Ik krijg het koud én warm tegelijk en probeer het hoofd “cool” te houden.
Gelukkig is er een plannetje in mijn hoofd dat aangeeft waar men bij deze schattenjacht best eens gaat kijken (tot hiertoe met succes).
Helaas geen hulpverleners bij dit verlies, en moesten ze bestaan had ik ze nog niet nodig … alhoewel ik al een behoorlijke boel “verloren” ben sinds mijn ongeval.
Maar dat is een andere verlieservaring én een rouwproces.

Door de opgelopen hersenschade heb ik een stevige portie extra slaap nodig. Ik schat die van een negentiger, of van een kindje van twee. Vermits uilen een beschermde diersoort zijn (en helaas ook door Harry Potter) hou ik het bij een virtuele soort. Ik slaap bij na een activiteit of ik kan zelfs vóórslapen. Om mij voor te bereiden op iets wat energie zal vragen.
Maar moesten er geen wekkers zijn (of een volle blaas) dan zou ik behoorlijk doorslapen. Er is nog geen test geweest hoe lang ik het zou uithouden, maar een dag is een peulschil. Ik word er ook niet moe van hé!

Volgend defectje is het geheugen, of de gaten die er in zitten. Het is vermoedelijk zovéél gebruikt dat er sleet op zit of zwarte gaten. Euh … over wat had ik het weer? En kan ik mij daar voor verzekeren?
Vele mensen, die ik zeer goed ken, worden soms ‘naamloos’ ik kan er dan zelfs met wat mentaal hersengeweld geen naam op plakken. En je kan nu ook niet “dinges” zeggen tegen iedereen. “Wat was ik nu aan het zoeken” wordt hier ook veel gezegd terwijl ik ergens doelgericht heen ben gestapt en er dan aarzelend aankom … euh…

Ik laat al wel eens (regelmatig) een bord onhandig vallen en leg mijn lederen natte hoed “even” te drogen op de verwarming … tot ik een hoed zie in een stadium van verschrompeling …te laat voor restauratie…

Mijn beroep??? Professor in vér-strooidheid (de knecht van De Sint met andere woorden).
Of “hersenspecialist” (je moet al een specialist zijn om met mijn hersenen te kunnen werken!).
O ja, wie mij niet direct herkent, ik ben ergens 20 kg kwijt, en niet teruggevonden!
Fiets vlot van Lier tot Berchem, Merksem, Schoten. En zwem vervaarlijk veel baantjes.
En wat houdt mij bij elkaar ?? Steeds terugkeren naar mijn adem, gewaar zijn, liefdevolle vriendelijkheid, niet weten, (ik probeer vrolijk & humorvol) getuige te zijn van wat er is en te ageren en reageren vanuit beide voorgaande zaken. Zie je wel “professor” kan simpele zaken ook moeilijk uitleggen! PRO fessor meestal, en heel soms CONTRA fessor.


Nieuwsbrief 12, oktober 2014
Door Manu Grisar

Druppels aan mijn ogen

de stilte van de nacht, brengt ze steeds onverwacht.
Eindelijk in het volle lawaai van mijn stilte, de eenzaamheid in de oceaan van opwellende gevoelens.
Van diep uit onvermoede bronnen.
Zilte tranen, natte ogen, een ontroering vanuit beroerd worden Een stil verdriet,
Terwijl iedereen al enkele slaapfases achter zich heeft en de bakkers halfweg zijn gekneed; zit ik daar…
Eindelijk mijn-tijd.
Met de ogen vol water aangestoken door de simpele ontmoetingen.
Dat simpele, mooie ongecompliceerde van een ontmoeting, soms woordeloos door gebrek aan woorden bij wie het leven pas begint. Hoe wonder is het toch dat die kleine oogjes, eenmaal mij ontmoet, zich verankeren op mij, en vol verwondering en aandacht meedraaien tot de natuurlijke grenzen het verbreken. Zien ze andere kleuren, of gewoon diep in jou, of lezen ze het aura van appelgroene zeeblauw? Zeer jonge mensenkinderen met verwachtingsvolle blik, blijven naar mij staren, steeds is er weer die klik. Zoeklichten worden ontstoken in die eindeloos diepe kijkers, van mini vrouw of man. En zonder diepe woorden vertellen onze ogen, verhalen, dialogen die niemand vertalen kan.
Soms gaan verontruste ouders dan wandelen met hun kind, omdat ze dat spontane, mooie te’dre levensbedreigend vindt.
Als wij het kind in ons, niet blijven eten geven, een schep verwondering en niet weten, voor heel even. Gewoon getuige zijn, geen vragen maar essentie, omdat de humor toont, je bent eigenlijk jezelf niet. Woordeloos verbonden met draden overal, niemand is onafhankelijk, eenieder is ’t heelal.

Ook tranen om de pijn, het niet tevreden zijn met een lavastroom van kwaadheid die borrelt onderhuids. En plots is die vulkaan weer wakker zonder mijn controle.
Soms de woede door de onmacht voor de storm, die soms diep in mij woedt.
Niet de grote krantenkoppen of de highlights van het nieuws.
Hele simpele zaken, die we snel wegmoffelen in onze broekzak als we anderen zien.
De eenzaamheid die iedereen met zich meedraagt bij het torsen van zijn leed.
Verdriet in zijn vele gedaanten, koud en warm, machteloos en hoopvol.
Door mijn aders stromen vele kleuren, kwaadheid is er een van. Een boosheid vanuit eindeloze bronnen, plots opstekend als een herfststorm, als een plaatselijke windhoos.

Waarom doet het zo verdomd pijn als ik weer eens merk dat enkel ik al mijn werk moet doen, leren leven met ernstige gebreken, machines klinken luid in mijn dove oren. De pijn sluimert elke seconde en breekt regelmatig door als spijkers door mijn huid. Ik waggel door het leven, steunend op mijn stok, gebogen onder letsels die niemand ooit zal begrijpen ook al zijn ze op scans te zien.
Verdriet om het besef dat eenieder diezelfde eenzaamheid zal ervaren of al voelt. Ook al zijn er prachtige gidsen. Er is geen god ter wereld die jouw klusjes opknapt. Wij allen kunnen enkel de weg alleen gaan. Gelukkig zijn er verschillende brillen waar we de wegwijzers mee kunnen zien, of wezens die steunen, ons even laten leunen, of anderen die meedragen of even uit de tredmolen van het leven stappen, uit de marionettentouwen van de smartphones en tablets. En samen stil gaan zitten, 100% aanwezig, geen jij meer en geen ik, daar zijn we niet mee bezig.
De adem terug gevonden, volgend als een leidraad terug naar het nu.
Weg met die wijzer.


Nieuwsbrief 11, september 2014
Door Manu Grisar

Kleurdoos te koop. Enkel zwart en grijs ontbreken…

Terwijl de wereld enkel aandacht heeft voor “het kan niet erg genoeg zijn” of “selectieve criminele aandacht voor criminaliteit en andere ondeugden” wordt hij steeds donkerder en dreigender ingekleurd. Het excuus dat de mensen, de lezers, de abonnees er om vragen is van de pot gerukt.
Waarom die nood, die drang om expliciet de nadruk te leggen om wat er fout loopt in deze wereld en liefst mensen al te veroordelen alvorens een proces gestart is.
Wie heeft alle mooie kleurtjes gepikt, en de glans, de straaltjes?

Nu de zomer ook al wat in de war is lijkt de hele wereld maar triest en hopeloos.
Kranten hebben nog het meeste nut als je er de BBQ mee aansteekt, of de stoof in de zomer! (?) De andere media kan je helaas niet voor zulke nuttige zaken aanwenden.
Waar is de open heldere blik die opmerkt hoe goed het hier is, hoe anderen spontaan voor elkaar zorgen. Misschien wat onzichtbaar voor de minderwaardezoeker.
Er is een enorm grote groep mensen die zorgt voor een ander of zelfs voor anderen!
Onbezoldigd, onverzekerd, zonder voordeel te zoeken, gewoon vanuit een reflex onder de huid van de samenleving. Zij zijn de bloedsomloop die zuurstof brengen in onze wereld, zowel zij die helpen als zij die ze met open armen ontvangen. Hulp die verder kijkt dan een tekort, ziekte, handicap. Je ziet dan zoveel tinten kleur! Een stralenkrans van een regenboog, spetterende stukjes van liefde, als de kleuren die geslepen diamanten weerspiegelen of een prisma weergeeft.

Maar wat ben je met deze info als je enkel grijs en zwart gebruikt om anderen een beeld te geven van de wereld.
[De “pers” is een voorwerp dat door middel van sterke druk iets samendrukt of verbuigt] Zo druk je de levensenergie uit de wereld, de helderheid uit een observatie en vereng je de blik tot een grijs donker beeld van de samenleving.
Kijk alsjeblieft toch naar de kleur!! Zie het weefsel van mensen die er voor elkaar zijn! Belangeloos! Kijk naar de zuurstof en ADEM!!!!!!!!
Zonder oordelen of projectie, kijk, voel, en adem. Kom thuis! Ook al is er lijden, handicaps, ziekte, onrecht. Als je de liefde niet hebt… mag je kerngezond zijn …helaas

Er is ondertussen een verjaardag voorbij gegaan waar we toch even stil bij stonden : 18 augustus, 5 jaar geleden kwam er plots een eind aan mijn vorig leven. Iemand reed zonder kijken een voorrangsweg over en ik reed in haar weg. Breuken, coma, … Pas half oktober kwam ik terug bij… Doofheid, luide tinnitus, hersenletsel, pijn , … zijn vandaag mijn realiteit!
Nog steeds is het revalideren!
Let alsjeblief op in het verkeer!!!

MAAR, ik bestelde vorige week een nieuw instrument dat men nu aan het bouwen is. Een handgemaakte Ierse stembare Bodhran, double skin! Deze week speelde ik nog een avond accordeon, bodhran, Cajon, gitaar bluesharmonica en samen zingen. Zélfs voor dovemansoren en door een dovemanssstem, samen met anderen. En men zei dat het heel goed klonk.
Muziek kruipt waar het niet kan!!! Het is liefde in allerlei vormen én goed voor de gezondheid. En wiskundig gezien kan je het alleen maar vermenigvuldigen door het te delen!

Zeg tegen de mensen ” ik hou van je”, wacht er niet mee!!! Zeg het NU!
Ik hou van jullie!!!!


Nieuwsbrief 10, augustus 2014
Door Manu Grisar

Het zijperron

Daar sta je dan, helemaal alleen, achtergelaten, gepakt en gezakt… maar de wereld draait verder en tijd is iets waar wij naar leven, en héél stipt.
Wij gebruiken tijd zo rigide. In het Westen gebruiken ze tijd, in het oosten hebben ze tijd.
Wij gaan op een bijna autistische manier om met tijd.
In het verkeer is het het induwen van het gaspedaal om tijdig ergens te zijn dat zorgt voor de files. In het leven zorgt dat gedrag dat we enkel oog hebben voor hen die meekunnen met de race. We zien enkel diegene voor ons en die net achter ons. Met de illusie dat we beter en meer moeten kunnen en hard moeten opletten niets te verliezen, (of te laten stelen door onachtzaamheid). Bang om te verliezen wat we niet eens écht hebben.
Zij die moeten afhaken of letterlijk en figuurlijk op een zijspoor worden gezet worden onzichtbaar.
Voor hen hebben we geen tijd.
Ze kosten ons alleen maar.
De bagage die de uitgerangeerden hebben is zo kostbaar, misschien wel precies waar de racende wereld nood aan heeft.
Maar die rennen liever achter de wortel van geld, macht, aanzien, ambitie … en de illusie dat ze waardevol zijn en zinvol werken.
Er is zoveel waardevols te vinden aan het zijspoor. Daar kan je soms perron-geluk zien. Mensen die wél in elkaars ogen kijken, die weten wat leed is en zó genieten van dat wat ze nog hebben. Mensen die verder kijken dan de etiketten.
Maar dan moeten ze elkaar vinden of stevig op zoek gaan want er zijn énorm veel zijspoortjes waar mensen uitgerangeerd worden.
Je moet dan toch over je angst om snelwegen en snelsporen over te lopen. Enorme inspanningen leveren om lotgenoten te zoeken.
Op mijn eenzame zijspoortje richt ik met alle macht mijn hoofd op om wat zon te vangen, tussen het onkruid en de shit.
Geen mens die je begrijpt, niemand die je ziet zoals je bent, zelfs het etiket is voor hen onleesbaar. Een etiket wordt zelfs niet gelezen, het is voldoende dat het op je voorhoofd plakt.
Een streepjescode die eigenlijk de tralies van je gevangenis wordt.
Sommigen trainen zich in het niet weten en proberen de vooroordelen en projecties uit hun ogen te wrijven. Maar het blijft soms bij goede bedoelingen. Men luistert soms enkel naar iemand om een weerwoord te kunnen geven.
Er was ooit iemand die wat gras afsneed en er op ging zitten, die zo rustig en onbevreesd naar binnen keek, vol openheid en liefde, vol onvoorwaardelijkheid.
Wat is helend? De formule die je weer een mens maakt?
Geen theoretische boeken of lezingen maar iemand die gewoon stil naast je zit, die bereid is om zelf naar binnen te kijken, die je stilte beluistert en geen enkele zucht gaat interpreteren.
Zichzelf graag ziet en daardoor ook jou. Die los van de snelweg van het leven,blijft, met een vriendelijke focus.
Geen vragen, geen nood aan invullen, geen oog, oor, neus die interpreteert. Geen stollen van jezelf tot een beeld, geen bevriezen; maar een stille aanwezige warmte, rustig, menselijk.
Voor jezelf, voor de andere!
Luisteren met het hart, zonder reactie van “ah dat ken ik”, of raad geven, zonder vastbreien van concepten.
Je mag gerust steken laten vallen, een ander patroon volgen,de rode draad is het “mogen zijn”.
Elke stap, elke ademteug, elke slok thee, elke hap, … bewust maken. In dat vormeloze. De draden van lijden lossend en de ballonnen zien oplossen ver weg. Wolkenloze lucht. Open hemel, universum, en je lichaam als een berg, liefdevol de aarde aanrakend.


Nieuwsbrief 9, juli 2014
Door Dorine Esser

Kareltje in de struiken

“Zit je?” was het eerste dat ze vroeg toen ze me belde. Omdat het voor het eerst sinds jaren was en na keer op keer beloven, dat ze me telefoneerde, had ik inderdaad spontaan van verbazing kunnen gaan zitten. In plaats daarvan liep ik haast kwispelend als een hond die na lange tijd zijn verloren gewaande baasje weer ziet, door de kamer rond. “Nee man, ik ben zo blij dat je me belt, eindelijk!” zei ik lachend. “Ik zou toch maar even gaan zitten lieverd”, zei ze. Nou hoef je het buskruit niet uitgevonden te hebben om te weten dat dit aandringen weinig goeds voorspelde. “Oké dan ik zit”, probeerde ik nog lachend. K. en ik waren dikke vriendjes. Zo erg dat we nog hechter waren dan familie en zelfs intiemer dan de aan ons voorbijtrekkende liefdes. K. was gewoon meer. Samen met M. vormden we een onafscheidelijke drie-eenheid. We werden onomstotelijk tot elkaar aangetrokken tijdens de kennismakingsdagen van onze studietijd. We waren wild, getalenteerd en veel te onstuimig. Vastbesloten om eerst alles te ontdekken wat door god verboden was, om vervolgens de hele wereld van het kwaad te verlossen en dat bij voorkeur op anarchistische wijze. Onderwijl rookten we als ketters, zopen we als zuipschuiten, zaten we aan de hasj en verenigden we ons in alle standen. We praatten gaten in de nacht, kwamen niet meer bij van het lachen, huilden in elkaars armen en kropen zomaar bij elkaar in bed als het koud was en regende, of als het leven nog moeilijker liep dan gewoonlijk. Samen waren we letterlijk drie handen op een buik.
“Ik ga dood”, zei ze. “Ik heb vijf tumoren in mijn hoofd en een hele grote in mijn longen. Er is niets meer aan te doen.”
Op dat moment gingen heel even, heel hevig alle lichten in me uit.

Zo gaat dat dus, als je mijn leeftijd hebt beginnen je vrienden eraan te geloven. De deur naar de eindigheid van dit vergankelijke leven wordt op een kier gezet. Het definitieve onbekende waait steeds vaker het schijnbaar onverstoorbare gewone binnen in de vorm van witte of ecru envelopjes met een randje er rond. Of via Facebook pagina’s waar geërgerde reacties op vriendelijk bedoelde verjaardagswensen volgen: “Een fijne dag en nog vele jaren!” valt wat ongelukkig als de persoon in kwestie helaas niet meer bestaat. Vlak voordat ze stierf, koud twee maanden na dat ene telefoontje zagen M. en ik eindelijk onze kans schoon haar samen op te zoeken in het Hospice waar ze net was opgenomen. We mochten niet zomaar haar kamer binnenstormen zoals we dat vroeger gewend waren. Er werd eerst beleefd aan de patiënt gevraagd of ze ons wilde ontvangen en wie we dan wel waren? Heel begrijpelijk natuurlijk, maar in het geval van K. leek het meer op een veel te lange scène uit een slechte film die niemand wilde zien. Het antwoord was zo onverwachts als vanouds “Ja, gezellig!” dat ik het vanaf dat moment niet meer droog kon houden. In de kamer met een afbeelding van een dode schelp naast de deur met daaronder Kareltje’s naam, besloot M. voor de koffie te zorgen: “Melk? Suiker?” En tegen mij: “Sinds wanneer drink jij zwart?” heel gewoon, alsof er vandaag niemand in de Nautilus kamer lag te sterven. Ik zat aan K.’s bed met haar hand in de mijne en kon niet veinzen dat ik haar met de beste wil ter wereld fysiek niet herkennen kon. Het ziekenhuisbed was opdringerig onverwoestbaar vergeleken met het broze leven dat erin lag: “Moet even wennen K. je ziet er zo anders uit.” Maar K. had besloten zich daar niets van aan te trekken. Ze mimede me na, zoals ze altijd deed als er ijs gebroken moest worden, toen ik zo zachtjes mogelijk mijn neus probeerde te snuiten. Zo bracht ze ons die middag met haar mimiek en rake imiterende bewegingen aan het lachen. Spreken ging niet meer zo goed. Buiten gaven de vogeltjes wat troostfluitjes ten beste en de zon deed er met haar zachte, warme stralen nog een schepje bovenop: met zijn drieën onstuimig stil in lief en leed verbonden.

Tegen de avond hebben we afscheid genomen. K. had voor mij zelfs nog gefluisterde laatste woorden. En toch ben ik weggegaan terwijl ik tot stikkens toe voelde dat ik haar nooit meer levend zou zien. Dat ik dat gedaan heb? Dat ik dat kon? Dat het mogelijk is de deur te sluiten, de lift te nemen en voor altijd zonder Kareltje, huilend naar beneden te gaan? Het is alweer maanden geleden en toch, daarstraks toen ik naar buiten keek zag ik weergaloos grappige bewegingen in de struiken. De manier waarop de takjes wuifden en die rare gele bloemetjes er bovenop… alleen zij zou dat kunnen, zeker weten!
Lieve K. je kan nu dus overal zijn en zoals ik je ken, zal je daar vast ongelimiteerd creatief gebruik van maken, zodat ik ongestoord zomaar in het wild tomeloos van je houden kan.

K. was zenbeoefenaar en kunstenaar.
Boeken waar ze tijdens haar ziekte veel aan had:
Shunryu Suzuki roshi, Zen mind beginners mind.
Stephen Levine, Who dies?
Vidyamala Burch, Aandacht voor pijn: door mindfulness gelukkig leven met chronische pijn en ziekte.
Meer informatie over deze boeken vind je hier.

En deze kalmerende meditatie: Anja Kat – Zen Peacemaker, De Bodyscan


Nieuwsbrief 8, juni 2014
Door Manu Grisar

Sta ik daar wat stof te vergaren

“Stof verzamelen” het heeft in onze maatschappij een negatieve bijklank hé?
Iets wat statisch blijft, ongebruikt staat wat stof te vergaren …

Maar hier gaat het over iets hélemaal anders.
Ik moest stof vergaren:
Een stukje stof vragen aan mensen die veel voor me betekenen, of ze nu nog leven of al gestorven zijn.
En telkens mijn verhaal doen: de Zen Peacemakers, wie-wat-waar-waarom. Bernie, Frank, het hele kader schetsen en hoe ze op mijn weg kwamen.
Tot samen leven op straat toe.
Stof om over na te denken. In de dubbele betekenis van de zin.
Sommigen stuurden al gauw een stukje stof op, anderen waren net aan het genezen van kanker toen ze plots keihard teruggeslagen werden in een verhaal “nog twee jaar te leven”.
Daar was mijn vraag om een stofje niet meer zo prominent op de voorgrond.
En dan mijn grote leraren uit Tibet en Buthan.
Na mijn hele verhaal volgde een stilte … het was voor hen een zeer vreemde vraag en “I don’t know” was het antwoord. Via bevriende tolken nog eens geprobeerd maar de ogen bleven blijkbaar zéér gevuld met onbegrip. Wat vraagt die man aan ons?
Er waren vragen die onbeantwoord bleven en antwoorden van stof die zeer moeilijk in het beoogde resultaat konden verwerkt worden.
Een hele training van niet weten, getuigen van mijn loslaten en toch vol liefdevolle vriendelijkheid.

Dan, na een hele tijd wachten en nog enkele herhaalde verzoeken besloot ik dat de periode van stof vergaren ten einde is gekomen en volgt de tweede stap.

Getuige zijn van mijn “buit”, voelen aan de stofjes en de mensen er in terugvinden.
Ik kreeg van iemand en volledige geklede broek. Op mijn vraag “meen je dat?” kreeg ik het antwoord: “Ja, nu heb je het aan uw broek”

Hoe krijg ik die delen in een patroon?
Een begeleidend boekje verhaalde over welke delen, welke afmetingen, en welke plooitjes dienden verkregen te worden.
Sommige stofjes krompen bij het persen onder een strijkijzer, of een deel van de draden werden kleiner en de rest niet.
Tijd voor Liefdevolle actie.
Naar mezelf toe, naar de opgave toe.
Ik had een tolk nodig om duidelijk te maken wat er nu exact in de tekst stond en hoe ik dat moest doen.

O ramp o ramp. Na de stofjes in hoopjes te hebben gelegd na het knippen en vouwen persen volgde het naaien.
Lapjes begonnen uit te rafelen en hadden professionele redding nodig om niet te eindigen in enkel een hoopje draadjes die niet meer geweven waren.
Andere stukken leken na een tijd plots wonderbaarlijk andere lengten aan te hebben genomen.
Rekken, strekken, vouwen, persen, peuteren, klooien, knoeien, afspelden, meten, hermeten, schikken, zuchten, vloeken, herbeginnen, herschikken…. het kwam allemaal aan bod.
Toch zag ik achter die stukjes nog de mensen die door mijn handen gleden, de verhalen, de tranen, de vriendschap, de wijsheid, …
Ik wist niet of het mij ooit zou lukken …
Het garen zonk mij in de schoenen…
Familie die van wanten wist kon nog redden, wijzen, tonen, en temmen.

Toen de hoofdvorm plots uit het kluwen tevoorschijn dook en vast was genaaid bleek dat het geheel omgekeerd was en dan volgde de actie waar ik héél goed in was : lostornen en losrijgen, liefdevol draadjes lus per lus ontknopen en de poreuze stof proberen te ontzien.
Geduldig, en zó blij dat ik een vertaalster had die in mijn taal kon uitleggen wat er moest gebeuren of overnam om erger te voorkomen.
De duiding geven waarom sommige stukken niet of moeilijk lukten en waarom het mislukte was ook nodig.
Prikken in vingers, prikkelbaar worden, en terugkeren naar de adem.
Gelukkig is daar de adem. De rode draad zonder naald.
Na een boel werk ligt alles even terzijde. Er is nog wat naaiwerk maar de handleiding zegt “nu heb je het moeilijkste achter de rug”.
Herademen!

Het is; denk ik en duidelijk Tibetaans georiënteerd naaiwerkje geworden, kleurig en eigenzinnig.
Hopelijk vindt de Sensei het goed.
Er steekt veel zweet in, wat bloed en enorm veel liefde!
Ik ben dichter bij mensen gekomen!
Maar ik zou er nog zoveel meer mensen in willen verwerken. Die steek ik er dan symbolisch in. Hen draag ik ook mee.
Sommigen zullen er misschien niet meer zijn als alle officieel wordt, sommige zullen er zeker niet meer zijn, anderen wel. Ik blijf ze meedragen, ze zijn een stukje van mij.
Een stukje van die man die ze met naald en draad in zijn leven naaide.

Er zitten nog enkele steekjes los en vastgespelde delen dienen nog toe genaaid,verbondenheid.
Er zullen wel steeds wat steekjes loszitten aan mij, ruimte en gelegenheid om anderen op te nemen in mijn hart.

Pfffft, nog even en dan is de Rakusu af!
Laat de Sensei maar alvast een datum zoeken!!!


Nieuwsbrief 7, mei 2014
Door Dorine Esser

Het leven is Koning

Wanneer ik op weg ga naar de man of vrouw wiens dagen zijn geteld is er geen ontsnappen aan. Vogels fluiten harder, asfalt ziet er duidelijker uit als asfalt en de voegen in de bakstenen muur bij de voordeur van mijn patiënt lijken dieper gegroefd dan ooit. Op bezoek bij een stervende dringt het leven zich onontkoombaar op.
Ik voel meestal een stevige weerstand als ik richting patiënt ga. Het lijkt geen pretje: vier uur aan het bed zitten of in de buurt zijn van iemand wiens laatste uurtje heeft geslagen. Wat zal ik dit keer aantreffen: meer pijn, meer uitval, meer geuren, open wonden, incontinentie, angst?
Ik ben niet zo van de geurtjes en van de door bestraling veroorzaakte etterende wonden of fluimen uit tracheotomie canules regelrecht de luchtpijp in. Ik ben bang dat ik ervan ga kokhalzen en een beetje stervensbegeleider doet dat niet. Die draait zijn hand daar niet voor om. Je moet er, ook al doe je het vrijwillig, maar tegen kunnen. Maar ik ben erg flauw op dat gebied. Duidelijk geen doorgewinterde verpleegster. En toch geef ik elke week trouw, op tijd en vier uur lang onverplicht mijn volle aandacht.

Je weet nooit wat je te wachten staat. Iedere keer is anders. Ook al is de wereld van een palliatieve patiënt vaak niet groter dan grofweg een vierkante meter ziekenhuisbed en lijkt er niet veel meer te gebeuren dan ademen.
De verpleegster besloot die dag Monique’s haren te wassen. Monique was in de zeventig, praten ging niet meer vanwege een hersentumor. Ik was die keer de assistent van dienst en hielp om Monique zo te verschuiven, dat haar hoofd over de rand van het bed uitstak en de verpleegster zonder de lakens nat te maken, haar korte haren kon wassen. Luc, al zo’n 50 jaar haar man, keek vanop een afstandje toe. En toen stond ik daar opeens met het ingezeepte hoofd van Monique in mijn handen. ‘Hou jij haar even vast, dan ga ik het water verversen?’ zei de zorgzame verpleegster. En natuurlijk deed ik dat. Ik hield Monique’s hoofd zo voorzichtig vast alsof ons beider leven ervan afhing. Ondersteboven zag ik dat ze warm glimlachte om mijn behoedzaamheid. Ze vond het best fijn. Luc voelde het ook. Het was een onbetaalbaar mooi moment. En daar was de verpleegster weer met helder warm water en een schone Ikea handdoek!

Die dag fietste ik fluitend en gloeiend van geluk naar huis. En zo is het vaak als ik vrijwillig op bezoek durf te komen bij iemand die niet ver meer staat van de dood. Dan ondervind ik het weer: sterven is doodgewoon en niet wij maar het leven is koning.

Uur na uur, dag
Na dag proberen we het
Ongrijpbare te grijpen, het
Onvoorspelbare precies vast te stellen. Bloemen
Verwelken als we ze aanraken, ijs
Scheurt plotseling onder onze voeten. Tevergeefs
Proberen we vogelvlucht door de lucht te volgen, gaan we
Stomme vis door diep water achterna, proberen we
Te anticiperen op de verdiende glimlach, de zachte
Beloning, zelfs
Proberen we ons eigen leven te grijpen. Maar het leven
Glijdt door onze vingers
Als sneeuw. Het leven
Kan niet van ons zijn. Wij
Zijn van het leven. Het leven
Is koning.

–Sangharakshita (uit: Vidyamala Burch, Aandacht voor pijn. Door mindfulness gelukkig leven met chronische pijn, Altamira-Becht p. 250)


Nieuwsbrief 6, april 2014
Door Manu Grisar

Een donderslag voor niets

Het donderde en onweerde gisterennacht tijdens de zevendaagse retraite.
Ik had drie vensters open staan maar hoorde het niet.
Dat heb je dan als “dove ” man.
Om halfzeven in de ochtend bij het opstaan merkte ik wat nattigheid, als een echo op de grond van het wegje en wat tranerig, tegen de grote vensters.
De weg die ik nu ga is er een van doorzetten, koppig, volhouden, met een vage toekomst.
Zeventien kilo lichter (en er moet nog af!), zit ik op mijn kussen, rechte rug met soms knagende pijn, mijn geest zo geconcentreerd mogelijk maar zonder spanning.
Een week weg uit de drukke of drukdoende wereld waar zoveel lege zaken zijn.
Het is een vreemd leven tussen verstaan en niet verstaan, en mensen verstaan niet dat je met hoortoestellen niet goed hoort.
Steeds denkt men dat het net is zoals een bril: je ziet niet goed, en bril op je neus, en je ziet terug perfect, niet?
NIET!!!!
Als je deels blind bent en je krijgt een bril op, dan zie je toch ook niet goed?
“Ja, maar je verstaat mij wel in die en die situatie en nu niet?”; om te kunnen verstaan heb ik 300% aandacht en energie nodig. Context kennen helpt, liplezen ook, lichaamstaal lezen, enkele woorden verstaan en vermoedelijk een dosis helderziendheid!
Doodmoe word je ervan.
Mensen houden ook nog hun handen voor hun mond, draaien het hoofd weg van jou, iemand anders zegt iets terug … vermits ik niet  kan bepalen van uit welke richting geluid komt moet ik heel veel rondkijken en mis ik de helft van het schone weer.
Plus de keiharde stoorzender tinnitus in mijn hoofd.
Een fijne mix om het rustig te maken.
Ademen, rug mooi recht, geest gericht, schouders ontspannen.
Training, training, regelmaat. Ik slijp mijn diamant weer een karaat. Elke facet is hard werk, precies, en schuren en slijpen. Lossen, met andere woorden.

Een evenwicht zoekend tussen sociaal zijn, open , lachend en vriendelijk, luisterend en contacten hebben. En rust aan de andere kant? (in slapen ben ik héél goed).
Op de slappe koord over verschillende afgronden. Voorbij de lonkende isolatie, het verleidelijke terugtrekken, het ultieme opgeven, de apathische diepte , het afhaken.
Schuifelend met blaren op je voeten, blijven doorgaan, ook al zegt je lichaam “pijn”
Ook al schreeuwt je geest “STOP, het doet te zeer”. Je zet de volgende stap en die daarna en je blijft gewoon rustig onder al die zintuiglijke en morele lawines.
Inademen, een volgende stap, uitademen een pas verder gezet.
Zovele kwaliteiten in elke mens, dus ook in mij!!
Enkel door op te houden met roeren in mijn eigen viskom kan alles bezinken en het water helder worden. Dan pas zie ik de schatkist!
De donder rolt ’s nachts door de vallei, ook al hoor ik hem niet. Dus de donder is rond?
Pijn golft door mijn lichaam, dus ik ben de zee?
Ik duik onder en ontspan. Zuurstof voor de geest!
Maar verdomd hard werken dat blijven zitten. Maar geen nood! Ik zit ermee!
Nog acht kilo te gaan! Ik laad mijn “rugzak” uit,… leven is leren lossen!


Nieuwsbrief 5,  maart 2014
Door Manu Grisar

Een Glimp … 
Ik trek mij geregeld voor een week terug, en in de dagelijkse routine ook op verschillende momenten, zélfs tijdens de huishoudelijke of andere taken. (de dingen doen terwijl je ze doet, en niet “doet ie het of doet ie het niet”).
Ik zie mooie dagopeningen.
De hemel in het uur blauw. Terwijl de gebouwen nog in een stukje nacht vertoeven, …, met de lichten binnen aan; … knalt de hemel al blauw uit zijn voegen.
Ik stap terwijl ik stap en kijk terwijl ik kijk. En zit terwijl ik zit.
’s Ochtends vroeg bij het krieken van de dag, naar binnen kijken, mijn geest trainen.
Die wilde olifant vasthouden bij het touw en zachtjes met mildheid aan het paaltje vastknopen. De onrustige aap in het huis met de vijf ramen werk geven dat hij heel geconcentreerd blijft. Langer en langer, rustiger en meer gefocust.
Maar toch in een heel ontspannen vriendelijkheid, een ruimte.
En plots borrelde van diep binnenin dat gevoel van juist zitten, op de juiste weg, de juiste manier. Een glimp van “dit is het”, heel natuurlijk, heel puur. Een gevoel dat alles klopt en dat er een groot vertrouwen opwelt.
Precies of ik al jaren verloren rijd en allerlei weggetjes in ga, zoekend, onrustig, en dat er nu iets is van herkenning. Ik ben op de juiste weg, ik weet dat ik terug op de kaart ben, “ik ben thuis” waar ik ook ben.
Het is de eerste keer sinds mijn ongeval dat ik dit ervaar.
Een laken werd door de wind opgetild en viel terug, … perfect in de plooi, een nieuwe plooi, maar perfect. Precies goed zoals ze is.
Het laken, een geest, net alsof het een spook was dat dwaalde. Maar nu, helemaal NU, helemaal OK, een ruggensteun, een diep gevoel van vertrouwen.
Niet buiten mezelf maar IN mezelf.
Ik zag een glimp van dat diepe opborrelende fundamentele vertrouwen, ik weet niet precies hoe ik het moet noemen, ik weeg de woorden maar vind geen juiste verpakking.
Je zwemt en zwemt al eindeloos en plots voel je bodem onder je voeten, geen branding of kust maar iets wat je draagt. En misschien ook wat steun geeft in je rug.
Een “YES!-moment” maar dan heel stilletjes. Een kiem, een groeiertje.
Een nieuwe long, verse lucht, een hele intieme vreugde, pretlichtjes vanuit een vuurtoren van vertrouwen.
Net alsof je terug volledig (vol-ledig) kan ademen na het gebruik van een inhalator bij een astma aanval, maar dan op het niveau van de geest (ook al is het een buik-gevoel).
De glimp die ochtend zorgde voor een innerlijke glimp-lach.
Maar ook stiekem grijpen om dat gevoel vast te houden, te herhalen, in een schatkist te steken. Terwijl het iets is dat juist door de ruimte die je geeft groeit, het is er, kan niet weg, er lag gewoon héél erg veel stof op. De glimp blonk een hele tijd niet, en ik dacht dus dat die er niet was. Terwijl het een fundamenteel deel is van mezelf.
En ik het ook herken in ”de andere”.
“Poetsen” loont dus de moeite, en een poets bakken hoort er ook wel bij.
Voor een knipoog heb je toch geen schaar nodig? Maar juist een open geest, met die vrolijkheid in het serieuze en het ernstige in de glimlach.
Om een knipoog te zien moet je juist je ogen open houden, en de deur van je hart steeds op een kiertje. Je kan er heus geen verkoudheid aan overhouden. Enkel tranende ogen …
Omdat het juist zo mooi is!


Nieuwsbrief 4,  februari 2014
Door Manu Grisar

Hij is er terug, afgestoft, opgepoetst en toch spontaan!

Ik merkte het pas toen ik de beelden bekeek van een optreden dat ik onlangs gaf. Iemand die ik begeleid naar het einde van het leven gaf een “feest om het leven te vieren”.
Er waren nog enkele maanden te gaan.
Ik kreeg een video waarop een bebaarde man met een zeer ernstig gezicht gitaar speelde en zong. Amai keek ik zo ernstig? Ik had er toch van genoten ( als “dove” muzikant), en iedereen heeft er duidelijk graag naar geluisterd !!
Ik stel alleen mijn gezichtsuitdrukking vast. Ben er een getuige van, open, en toch weet ik dat er een ander gevoel de binnenkant beroert.
Innerlijk voel ik die vreugde en het borrelt van diep op.
Het lijkt mij geen snel vervagend of broze vreugde vanuit gehechtheid. Maar een stabiele gelijkmoedige versie.
Maar blijkbaar breekt die niet altijd door het wolkendek van de lichaamstaal.
Zijn de mondhoek-optrek-spiertjes in verlof?
Ik ga naar binnen en volg de adem.
Er is nog werk aan de winkel maar dat gebeurt met de glimlach. Al is het soms nog spannend, droef, afscheid nemend, ongerust zijn. Zeker met telefonische conferenties met Britse advocate, arts/specialist en tolk die …. vloeiend Duits spreekt… OK, een “vergissingske “ginder. Maar hij doet ook Frans: lje dowktheujr voews dits khe iel nje veujw phasch … je reinste “Allo Allo” Frans gebrabbel. This is no French, thank you!!
Zulke zaken die heel belangrijk zijn en in de verwondingen van 4 1/2jaar geleden zitten trekken je dan even onder het ijs en snijden je adem af.

Maar de glim zit terug bij de lach!
Een ontspannenheid vertrekkend uit mijn “niet weten”, mijn “in het moment blijven”.
De lotus die weer weet dat hij vertrekt in de modder en stilstaand giftig water maar toch een ontspanning bereikt.
“Er gewoon bij blijven”, zonder opdringen, zonder moeten, zonder plan, zonder bagage en zonder kennis (of voor-kennis).
De buitenste schil die leert dat “relax” en “letting go” stramheid lost, bevrorenheid ontdooit.
Dus geef ik wat extra aandacht aan het kneden van de buitenste plasticine om duidelijker te zijn voor de buitenwereld.
Hoe diep het zit, hoe pijn het doet, hoe schrijnend, hoe erg, hoe er een lijdend voorwerp in deze mens zit … het is OK.
De zalf van de glimlach is aanwezig, het “stoveke” van de vreugde, dat alles doet zijn best om mijn façade te ontdooien.  Zonder strooizout… want dat prikt.  (ipv …
Neen, geen strooizout, … want dat prikt )
Wél een duidelijke opwarming van mijn aard(e), zonder negatieve gevolgen.


Nieuwsbrief 3,  januari 2014
Door Dorine Esser

Betreden op eigen risico

Ik heb er lang over gedaan om hier iets over te schrijven. Twee jaar om precies te zijn voordat ik ermee naar buiten trad, in het openbaar, op schrift, zwart op wit op papier. Schrijven over op retraite gaan in Auschwitz is zoiets als de waarschuwingsbordjes met ‘gevaar voor instorting’ opzettelijk negeren.

Waardoor ik meteen uit het lood werd geslagen voor de ingang van Auschwitz-Birkenau Memorial Museum, was hoe gewoon het er was. De entree, een kaartje kopen, kioskjes met drankjes en lekkers. Daarnaast een parking vol luxueuze slordig geparkeerde autobussen alsof het om een amusementspark ging. Als de museumtoer erop zat wachtte er bovendien aan de uitgang een restaurant met echt en overvloedig eten. Ik begreep het niet, verbaasd dat de weg naar de hel geplaveid was met deze banale alledaagsheid.

Tijdens de verwarring van de eerste ogenblikken kwamen ongewilde herinneringen aan schoolreisjes naar boven. Uitgelaten in de rij aanschuiven terwijl we in een poging onze opgewondenheid te kalmeren, de lunchpakketjes in de bus al hadden opgegeten. Ik voelde me opgelaten bij die opdringerige jeugdflitsen op deze godvergeten plaats. Ik hoopte vurig dat ze zo snel mogelijk zouden verdwijnen. Maar zelfs gedachten gingen hier oneerbiedig hun gewone gang.

Mijn eerste grote pijn op deze retraite begon dus heel klein op weg naar de ingang van Auschwitz I. Het volslagen niet-begrijpen was nog vers en rauw. Het was nog niet op de Zen Peacemakers-manier gestroomlijnd in een chic ‘niet-weten’: not knowing. Alles wat eenvoudig was ging hier mijn verstand te boven: deze gebouwen, deze aanschuivende mensen, deze grond met boven de poort de door de hele wereld gekende welkomstleugen Arbeit macht frei. Terwijl ik met al mijn zintuigen aanwezig was, geloofde mijn brein niet dat deze gruwel werkelijk bestaan had en je op weg ernaartoe een Mars kunt kopen.

En dit was nog maar het begin. Daarna werd het nog veel erger. Mijn linkerhersenhelft begaf het. Ik vond geen antwoorden, geen oplossingen, geen logische verklaringen, geen oordelen… niets. Wat het meest choqueert aan misdaad, aan onmenselijkheid en afgrijzen is het tastbare gewone. Alsof een oorlogsmisdadiger vertelt over zijn gruweldaden terwijl hij joviaal zijn hand op je knie legt. Maar dat is het juist, dat is waarom we hier kwamen en onze ogen openhielden, om te ‘erkennen wat is’: bearing witness. Het meest afschuwelijke ligt zo onheilspellend dichtbij dat het raadzaam is vooral dan wakker en bewust te blijven. Om in grote stilte te kunnen ontdekken waar dat vreselijk zwarte werkelijk begint. Daar waar we het misschien nooit gezocht zouden hebben: vlak naast het oneindig mooie, lieve en lichte.
Heel gewoon in ons.

http://www.youtube.com/watch?v=CUSaxvSlc0g 


Nieuwsbrief 1, november 2013
Door Dorine Esser

Straatliefde

Hij viel meteen op. Slungelig kwam hij achter de hoek vandaan. Hij was opmerkelijk lang en liep voorovergebogen in een poging op een mainstream Marokkaanse Brusselaar te lijken, die onopgemerkt langs de Vlooienmarkt liep. Maar gewoon was hij niet. Hij was bijzonder dat zag je zo.

Hoewel zijn ledematen wat zwabberden als die van een jonge hond met grote poten, die veel te los in zijn vel zat, drukte hij niettemin gecontroleerd een stukje witte stof stevig tegen zijn neus. Omdat hij iets onverklaarbaars had voelde ik een lichte angst opkomen toen hij dichterbij kwam. Net als met zijn zwiepende arm en benen leek het ook met hem alle kanten op te kunnen gaan. Dankzij het zonder meer ‘zijn’ in het ‘niet-weten’ tijdens deze straatretraite terwijl ik en-passant om geld en eten vroeg, ervoer ik zo’n glorieus ‘alles-is-goed-gevoel’, dat ik ook hem net als alle anderen vanaf mijn bedelmuurtje een goede dag toewenste: ‘Bonjour!’

Hij boog zich voorover waardoor ik zag dat het een witte tennissok was met twee blauwe streepjes aan de ingang die hij onafgebroken voor zijn neus had. Verbaasd door mijn vrolijke ‘Hallo’ bleef hij staan. Hij liet zijn tennissok zakken en zei met een verlegen vraagteken in zijn stem ‘Hallo?’ terug.

Zijn gezicht, zag ik nu, was veel te oud voor zo’n nog maar net ontloken jongen. Ogen die een beetje uitpuilden en die zo glazig stonden dat ik er geen enkele emotie in zag. Toch had deze buitengewone twintiger mij meteen bij mijn gevoel te pakken. Ik gebaarde zachtjes om naast me te komen zitten voor een babbeltje? Onverwacht gretig ging hij daarop in: ‘Hoe heet je?’ vroeg ik, ‘Mohammad, ik heet Mohammad’, ‘wat een prachtige naam!’ riep ik onhandig hard maar meende het wel. Zoals hij het zei kon immers niemand Mohammad heten; koninklijk en met een vorstelijke tennissok erbij. ‘Hoe gaat het met je?’ vervolgde ik in het Frans? Hij schoof dichter naast me op het stenen muurtje. ‘Niet goed’, antwoordde hij.

Doordat hij zelf toegaf wat ik met mijn klompen aan had voorvoeld, smolt mijn angst als sneeuw voor de zon. Hij vertelde dat hij verslaafd was aan iets dat op die sok zat. Het hielp hem door de dag. Zijn ouders hadden hem verkocht toen hij zes was, vertelde hij alsof het de normaalste zaak van de wereld was. Maar bij de mensen die hem hadden aangeschaft was hij niet lang gebleven. Hij had voor ze moeten werken. Ze hadden hem slecht behandeld.

Hij sprak haast onhoorbaar en tegelijk gejaagd alsof iemand hem op zijn hielen zat. Hoewel we er samen wat onwennig bij zaten, had ik toch het gevoel dat hij het fijn vond om als een grote gewonde vogel naast iemand neer te strijken die, al was het maar even, aandacht voor hem had.

‘Dan ga ik maar weer!’ zei hij toen het rustig was. Hij schudde mijn hand met jeugdig enthousiasme alsof hij eigenlijk door het dolle heen, toch beheerst de magie van het moment niet wilde verbreken. Het voelde als een kwetsbare, pasgeboren handdruk die ik direct voor altijd wilde bewaren met alles wat moeder in me was. Ik keek hem na en wist dat ik dit moment nooit meer zou vergeten. Dat het wat mij betreft alleen maar hierover hoefde te gaan. Met eigen ogen zag ik dat ook deze radeloze veel te grote, kleine jongen, een universum van schoonheid in zich had. En alsof we simultaan hetzelfde dachten, checkte hij of ik hem nog zag waarop hij mij de mooiste totziens-zwaai gaf met de breedste lach.

Dag, lieve Mohammad.

Noten   [ + ]

1, 4. 1
2, 5. 2
3, 6. 3