De Gazette in een superdiverse wereld

van Wim Schrever 

Wim Schrever is fotograaf, reclamemaker maar bovenal activist voor superdiverse samenleving, duurzame mobiliteit, transitie en hernieuwbare energie, met de fiets als dagelijks verplaatsingsmiddel. Hij is leerling van Frank De Waele Roshi.

We spreken van de jaren 2010 en volgende. In onze kleine provinciestad helemaal in het zuiden van Vlaanderen, aanschurkend tegen de grens met Wallonië, ontbrak elke werking rond superdiversiteit. Terwijl het straatbeeld wel al een andere wereld toonde: Geraardsbergen telde toen al rond de negentig nationaliteiten (in Brussel waren het er 190, Gent telde er ongeveer 120). 

Mijn echtgenote Nele de Winde en ik waren toen pas betrokken bij de Zen Sangha. Na enkele jaren shoppen in boeddhisme, hadden we bij leraar Frank Roshi een plek gevonden. We leerden er opnieuw de warmte kennen van een gemeenschap, van een groepje mensen die hun verschillen deelden in een collectief. Het gaf een gedragen gevoel, zonder strikte binding. Het had ook iets van wat we vroeger gekend hadden, als kind in onze respectievelijke katholieke families. Enfin, in onze kinderjaren hadden we zoiets wel kunnen ervaren, een soort collectivisme in het christelijke Vlaanderen van toen. Intussen was dat alle verwaterd -door een opgedrongen neoliberalisering en dientengevolge toenemende competitie, individualisme en ongelijkheid, zoals in de rest van de wereld. Een gedragen gemeenschapsgevoel ontglipte ons vanaf het moment dat Thatcher en Reagan op het toneel kwamen. Uiteraard zien we nu pas in wat er ons toen gebeurde. Zo gaat dat, helaas.

aanwijzingen voor de kok
Terug naar Geraardsbergen, een stadje in het drielandenpunt Denderstreek/Vlaamse Ardennen, Vlaams Brabant en Henegouwen. Door de ligging is de stad sinds oudsher een strijdpunt geweest tussen heersende machten -dat was ook zo met de Koning van Oranje (maar dat is een ander verhaal).
Met nieuwe boeken in onze tas, vanuit de kennismaking met Zen, keken we om ons heen. Er ontbrak iets in de straten van onze leefstad: een angst sluimerde tussen de mensen in, een ongenoegen ontkleurde de gevels. Dit mag een beetje highbrow prozaïsch klinken, maar dat waren de feiten: het was geen thuis meer.

En toen lazen we dat boek van Bernie: Aanwijzingen voor de kok. Dat kwam binnen. Het leek zo eenvoudig, net als koken dat is, met wat je voor je hebt.
Een beetje later dachten Nele en ik: wat kunnen we doen, hier in onze keuken (lees: in de straat). Hoe kunnen wij als kleine garnalen dat helpen veranderen? Waarom lopen de mensen zo nukkig in de straat? Enerzijds de autochtonen, met angst voor verandering, en anderzijds de mensen uit de wereld, wier nieuwsgierigheid naar  hun nieuwe woonplaats werd in de hoek gedrumd? Hoe kunnen we wat doen?

luttel
Ik runde toen een fotowinkeltje in de stad, waar ik ook pasfoto’s maakte. Daar kreeg ik de hele wereld over de vloer. Meestal kenden ze onze taal niet. Vaak behielpen ze zich met Engels of Frans. Heel schuchter ook. Gaandeweg leerde ik hun eerste probleem kennen: hoe duidelijk te maken wat ze nodig hebben. Geduldig keek ik toe. Ik leerde hun taal – ofte toch enkele woorden – en zag hoe ik daarmee een brug bouwde. Ze deelden hun ervaring en stuurden landgenoten naar me toe. Het was bijzonder om te zien: mensen uit de verschillende gemeenschappen hernamen hun kracht, ze waren blij om geholpen te worden, met soms een luttel woordje uit hun moedertaal. In negen andere talen (naast Engels, Frans, Duits en Italiaans) kon ik goeiedag en tot ziens zeggen. Mensen schrokken soms wanneer ik in Tjetjeens of Albanees dag zegde. Ze gingen stralen. Heerlijk was dat. 

Die ervaring wilden we verder zetten. Deze mensen uit de wereld aan het woord laten en in hun waarde zetten, leek ons een goed idee. Ik had alle kennis en tools in huis om een publicatie te maken en uit te geven: de Giesbaergske Koleuren Gazette was geboren. De naam was me ingevallen tijdens een sesshin. Om maar te zeggen.
De naam van het project was ook dubbel: door de dialectische woorden verbonden we het authentieke Geraardsbergen (Giesbaergen) met de kleurige, nieuwe wereld die de stad binnenvoer. Het plan was om de mensen te gaan interviewen in hun Geraardsbergse thuissituatie en de gesprekken dan te publiceren in de Gazette. Het krantje begon met vier bladzijden, netjes opgemaakt vakwerk. Al snel werden er dat veertig. Met eigen middelen werkten we het af in gedrukte vorm. De driemaandelijkse edities kwamen ook online leesbaar via onze website www.giesbaergskekoleurengazette.be.

Daarmee was de basis gelegd. Stilaan maakten we onze (kleine, want we waren vooral bottom-up en onafhankelijk) werking groter: na de publicaties met interviews startten we met het jaarlijkse Koleurenfeest als straatfeest voor buren en culturen. Het was grassroots. Echt met niets, vanuit het niets: we hadden zoiets nog nooit gedaan! We deden het met wat er was, zoals de kok in de keuken dus.

werking
Wat we toen al realiseerden, met een klein groepje, kreeg een draagvlak en netwerk om zich heen. Het was bewegingswerk ten voeten uit. En ondanks dat onze werking nu verminderd is, blijft dat gedragen verder leven, hier in deze kleine Oudenbergstad -zo wordt onze woonplaats ook genoemd, vanwege de kleine heuvel waartegen de kern is aangebouwd.

Want intussen is de publicatie verworden tot een communicatie die we via social media als Facebook voeren (het vroeg te veel vrijwillig werk). Het Koleurenfeest hebben we vier jaar na mekaar met succes gerealiseerd. Er broeden nu plannen om dat straatfeest weer op te nemen. Tegelijk blijven we acties organiseren: lezingen, een werking rond vrouwen uit de wereld, een ramadanfeest.
Enkele jongeren startten onlangs een platform om ook in Geraardsbergen iets te doen aan racisme en discriminatie waar ze mee af te rekenen krijgen, omdat ze een andere huidskleur hebben en een naam die moeilijk uit te spreken blijkt. Vanuit onze werking blijven we zulke initiatieven steunen en uitbouwen.

Nogmaals, het verhaal mag misschien prozaïsch en wat uptempo klinken, maar kernachtiger kan ik het niet vertellen. Wie mij kent, weet dat dat ik dat graag doe, vertellen. Misschien is dat wel een van mijn hoofdingrediënten, in de keuken en daarbuiten.

Mogen we dat zeggen, dat die vertellingen toch wat deden, in deze Denderstad (zo wordt onze stadsplaats ook genoemd, om de rivier de Dender die erdoor loopt)? We zien een rimpeling op het watervlak. Al kan dat natuurlijk ook de wind zijn. De wind waait.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *